ALASKA 1986

een verslag van een reis door Alaska

 

 

8 juni / 17 juli Ruud en Kitty Kampf

8 juni / 27 juni Jacques de Raad

Zaterdag 7 juni

Alle spullen die op de paklijst stonden opgezocht. Hierover is langdurig nagedacht en overlegd. Wij willen niet te weinig en ook niet te veel meenemen. Voor de KLM maakt het niets uit. Die zouden het nog goed vinden als we per persoon 65 kg meenamen. Voor onszelf is wel belangrijk om op het gewicht te letten: elke kilo moeten we meesjouwen. Bepaalde dingen zijn noodzakelijk: tent, slaapzak, lakenzak, basiskleding, kookgerei. Over fototoestel, telescoop, statief, voorraadje levensmiddelen is discussie mogelijk.

Jacques komt met zijn bagage om te kijken hoe wij de gezamenlijke spullen (eet- en kookgerei) eerlijk zullen verdelen.

Als alles gestouwd is blijkt er nog ruimte te zijn voor fototoestel, telescoop en statief. Gaan dus mee. Ruud blijkt zo'n 20 kg bagage te hebben, ik ongeveer 15.

Voordat de winkels sluiten halen we nog wat laatste benodigdheden en pakken definitief de rugzakken in. Wie denkt dat wij nu een rustige avond tegemoet gaan heeft het mis. Ruud zorgt ervoor dat de tuin er een beetje netjes bijligt. Ik vries groenten en rabarber in.

Tamelijk moe gaan we om een uur of elf naar bed.

Zondag 8 juni

We staan om 7 uur op, gaan lekker onder de douche (voorlopig voor het laatst), ontbijten uitvoerig (idem) en drinken een lekker kopje koffie (idem). De wandeling naar de trein is de eerste oefening van het lopen met volledige bepakking. Om kwart voor een zijn we op Schiphol. Er is een grote afvaardiging van de familie: Stiny, Lucy met de kinderen en Aad en Trudy met de kinderen.

Terwijl wij op Jacques staan te wachten, wordt ik op mijn schouder getikt en vervolgens op beide wangen gezoend. Tot onze verrassing staat Bouke Halma bij ons.

Hij herkende ons meteen (wij hem ook, trouwens). Toch wel grappig, om in de zeer drukke aankomst- en vertrekhal van Schiphol een oude bekende tegen het lijf te lopen.

Om kwart over 1 gaan we ons aanmelden. Dat duurt hele tijd - omdat het zo druk is. Onze rugzakken worden als bijzondere bagage' op een karretje gelegd. Wij hopen maar dat ze niet vergeten worden. Vervolgens gaan we door de douane en naar het vliegtuig. Maar pas nadat wij eerst nog een fles Corenwijn hebben gekocht. We zitten met z'n drie8n naast elkaar aan de raamkant.

Om ongeveer tien voor halfdrie taxiet de Jumbo Jet (Boeing 747) weg, een minuut of tien later zitten we in de lucht.

De verzorging bij de KIM is uitstekend. We krijgen iets te drinken, een zakje zoute amandelen, vochtige hete doeken om ons te verfrissen, een goed diner met wat je maar wilt drinken erbij, eventueel een likeurtje toe (Jacques krijgt een glas Cointreau waarmee je een beer onder tafel zou kunnen krijgen).

Van het landschap dat onder ons door schuift zien we door de bewolking niet veel. Alleen boven Groenland en Noord-Canada breekt het wolkendek af en toe open. We vliegen over een werelddeel vol sneeuw en ijs.

Om kwart voor een Alaska-tijd landen we in Anchorage. We halen onze bagage op (is gelukkig allemaal in orde) en worden uitvoerig door de douane bekeken. Op de vraag: heeft u nog voedsel meegebracht antwoorden wij bevestigend. We hebben gevriesdroogde levensmiddelen en twee verse paprika's bij ons. We moeten het eten even laten zien. De rugzak gaat open, het eten eruit. Het gevriesdroogde is geen probleem, de paprika's (die hier red peppers worden genoemd) zijn het na een intern vragenrondje ook niet.

En daar staan wij dan in Anchorage. We gaan met de shuttle bus naar de nationale luchthaven. Nu komt de vraag: waar gaan we het eerst naartoe? Naar Barrow of ergens anders heen.

Ik word bij de bagage in de hal gestald, Ruud en Jacques gaan op informatie uit. In het vliegtuig hebben we de piloot al gevraagd wat voor weer het is in Barrow. Als antwoord krijgen we: goed, 36'F, weinig wind. Dit is echter niet wat we willen weten. Wij willen er achter komen hoever het voorjaar in Barrow is gevorderd. Ondanks dit gebrek aan informatie (of misschien wel dankzij) besluiten we naar Barrow te gaan.

Het nemen van dit besluit verloopt misschien wat moeilijk, met de uitvoering is dat beslist niet het geval. Ticket kopen (bij Markair), even wachten in de hal, instappen en wegvliegen.

We vliegen ditmaal met een Boeing 737. In Fairbanks maken we een tussenlanding. Ook nu is de verzorging goed: koffie, thee, diner, niet-alcoholisch drankje. Wel alcoholische drankjes moet je betalen.

Het vliegveld van Barrow is berekend op vrij grote vliegtuigen, maar daar is alles mee gezegd. De voorzieningen zijn er simpel. De bagage zit in kisten die met een vorkhefshovel in de hal worden gedeponeerd.

We bietsen wat benzine voor de brander en gaan dan een plekje zoeken om de tenten op te zetten. Dat valt nog niet eens mee. Barrow ligt nog grotendeels onder de sneeuw en de grond is nog nauwelijks ontdooid. Aan de rand van een zoetwatermeer vinden we een veldje - niet subliem, maar het moet maar. We drinken nog een kopje thee, nemen een borreltje, en gaan om negen uur slapen. We zijn tenslotte al meer dan 24 uur op.

De temperatuur ligt rond het vriespunt en het sneeuwt licht. Welkom!

Maandag 9 juni

Barrow is een bar oord. Het is koud (zelfs in de slaapzak) en het mot-sneeuwt nog steeds. Ruud en Jacques maken een ochtendwandeling, ik ruim de tent een beetje op.

We gaan naar de stad, kopen brood en beleg, en komen terecht in het 'Top of the Word I hotel. De receptioniste, Dixie, is erg aardig voor ons. We maken een praatje met haar, en als we uitleggen dat we speciaal voor vogels komen, regelt ze voor ons dat we het biologisch station van Barrow kunnen bezoeken. Om twee uur zullen we bij het hotel worden opgehaald door ene Charly.

We gaan terug naar de tent, eten, en zijn om twee uur weer in het hotel. Charly arriveert om half drie. Helaas kan hij ons nu niet meenemen, zijn baas heeft geen tijd om ons te ontvangen, maar morgen om negen uur schikt het wel. Goed, tot morgen dan.

We gaan lopen in oostelijke richting, naar de Point. We krijgen een lift van 'Ron', die ons de Gas Well Road aanbeveelt om vogels te kijken. Hij zet ons bij het begin van die weg af. We lopen hem een stuk af en gaan vervolgens via een open vlakte terug naar de tent. Er zijn vrij veel vogels, zij het nog niet veel soorten.

Het menu is deze eerste avond: gevriesdroogde macaroni. Allen water toevoegen en laten koken. Smaakt voortreffelijk.

Terwijl we zitten te eten komt er een meisje langslopen, dat vraag of we niet zijn lastiggevallen. Hoezo, vragen wij. Ze vertelt dat het stuk land waarop we kamperen 'native land' is. Dat wil zeggen dat het toebehoort aan Eskimo's, die absoluut niet willen dat iemand anders dan zijzelf er iets mee doen. Achteraf verklaart dit misschien waarom er gisteravond zoveel lawaai was rond de tent. Auto's, driewielers, iemand die vroeg of er iemand thuis was. Dit was wellicht een poging om ons weg te krijgen. Aanvankelijk dringt dit niet erg tot ons door, en wij zeggen dus dat er niets aan de hand is.

Wat later komt het meisje weer langs. Ze zegt dat het beter is dat we niet blijven staan. Op 'native land' moet je niet ongevraagd kamperen, dat is vragen om moeilijkheden. Bovendien is het veel te koud om te kamperen. We mogen bij haar in huis verblijven, haar kamergenote is met vakantie, ze heeft een bed en kamer over, ze zou het fijn vinden als we kwamen. Ze moet nu naar sport, maar ze woont daar en daar (ze heeft een plattegrondje getekend) en de deur staat open (letterlijk).

We bedenken ons niet lang. Na 1 nacht kamperen breken we onze boel weer op en lopen naar het huis van Sherie. Sherie heeft een huis op pootjes. Het is van alle gemakken voorzien: chemisch toilet (honey bucket genaamd), watertank op zolder. douche, gasfornuis, knots van een kachel en een hond en een kat.

We nemen meteen het grootste deel van het huis in beslag. Ruud en ik nemen de kamer van Sherie's vriendin, Jacques de andere slaapkamer. We hangen de tenten verspreid door het huis te drogen.

We gaan met Sherie rond de tafel zitten', krijgen bier salade, brood en walvisvlees (maktak). Vreemd spulletje. Ik vind het wel lekker.

Sherie vertelt dat ze al jaren in Barrow woont. Ze is lerares geweest maar maakt nu in opdracht van de overheid video-films over het leven in het noorden. Ze weet veel over de eskimo's te vertellen.

Barrow (drieduizend inwoners) was oorspronkelijk een eskimo-nederzetting, die door de komst van de olie-industrie door blanken is overspoeld. De 'stad' zelf is een onbeschrijfelijke bende. Overal ligt afval, het stinkt er naar olie en hondepoep, op ieder erf liggen oude onderdelen van auto's en sneeuwmobielen. Door de wegsmeltende sneeuw liggen overal plassen water en verandert de ondergrond in modder-

Eskimo's, zoals later iemand tegen ons zou zeggen, hebben geen ideeŽn over vuilnis. vroeger hadden ze nooit afval. Nu ze het wel hebben, weten ze niet wat ze ermee moeten doen. De hele winter lang gooien ze het gewoon buiten op straat. Er valt sneeuw overheen, en niemand die er wat van ziet. Maar in het voorjaar, als de sneeuw wegdooit, komt de rommel van maanden weer te voorschijn. 's Zomers wordt het dan weer zo'n beetje opgeruimd.

Een probleem is natuurlijk dat het niet meevalt om in Barrow afval kwijt te raken. De grond is altijd bevroren (permafrost), de zee acht of meer maanden per jaar. De vuilnisbelt is vol.

De wegen zijn afgedekt met steenslag, dus ze zijn Of stoffig 'of modderig. Het is - door de permafrost - eigenlijk niet mogelijk riolering aan te leggen en het dooi- en regenwater kan niet door de grond worden opgenomen. Alles, van levensmiddelen tot auto's, wordt door de lucht aangevoerd. Dat maakt alles wat er in Barrow te koop is. Dat geldt voor levensmiddelen ($ 3.35 voor een brood, is f 8,00), maar ook voor auto's, sneeuwmobielen en driewielers. Het kost vijfduizend dollar om een auto naar hier te laten overvliegen. Het is niet echt noodzakelijk om in Barrow een auto te hebben, De stad is vrij compact gebouwd en er rijden stadsbussen rond. Toch is er zeer veel verkeer op straat. Sherie vertelt dat het voor de eskimo's een statussymbool is om een auto te hebben. Ze rijden voortdurend rond, gewoon voor de lol. Verbazingwekkend is dat niemand zuinig is op zijn spullen, hoewel ze veel geld hebben gekost. De auto's hebben butsen, deuken en kapotte voorruiten, aan de sneeuwmobielen mankeert van alles. Waarschijnlijk worden kapotte voorwerpen weggegooid en niet gerepareerd.

Tegen twaalven gaan we naar bed. Jacques zit al lang aan tafel te slapen. Hij houdt alleen uit beleefdheid zijn ogen open.

Dinsdag 10 juni

Na een heerlijke nachtrust - lekker in een warm bedje - staan we tijdig op. Ruud wast nog even af, daarmee de eeuwige dankbaarheid van Sherie verwervend. Om negen uur zijn we in het hotel. Geen Charly. Om kwart over negen, nog steeds geen Charly. De receptioniste van het hotel in het geweer geroepen. Zij belt naar Charly. Hij is onderweg. 'Charly is always late', verontschuldigt de receptioniste hem. In het hotel is het niet te geloven zo warm. In onze warme kleren is het er nauwelijks uit te houden. Net als we besluiten buiten te gaan wachten, komt Charly eraan. We klimmen in zijn auto en hij neemt ons mee naar het onderzoeksstation.

Hij stelt ons voor aan zijn baas, en dat blijkt dezelfde Ron te zijn die ons gisteren een lift gaf naar de Gass Well Road. Ron heeft een prettige werkkamer. Grote stoel met veel ruststanden, koelkast op de kamer, een bank en fraaie foto's aan de muur. Hij vertelt ons wat over de omgeving en stuurt dan een chauffeur om ons naar de Point te brengen. Bedankt Ron, tot ziens! Een goed informatieadres wanneer we nog eens naar Barrow willen.

Bij de Point ligt helaas nog zoveel sneeuw, dat we met de auto eigenlijk niet zo heel ver komen. We lopen terug naar het huis van Sherie. Daar eten we wat en besluiten 's middags de andere kant van Barrow op te lopen. Na een paar dagen hebben we al een zekere bekendheid gekregen. Er wordt over ons gesproken als 'die vogelkijkers uit Holland die zoveel lopen'. Wij zouden ook wel met de stadsbus mee willen, maar die is Of net weg 'of hij rijdt de verkeerde kant op.

Tegen de avond (alleen op het horloge te zien) gaan we terug naar het huis van Sherie. We eten samen met haar: soep, brood en koffie. Wij geven Sherie een glaasje Corewijn. Zij vindt het nogal straf spul, duidelijk straffer dan ze gewend is.

Omdat Sherie een auto tot haar beschikking heeft, rijdt zij met ons de Gass Well Road af. Zij vindt dat wij echte yuppies zijn: vogelen vanuit de auto (Suburban 6,2 1 Diesel, een grote bus met 2 x 3 zitplaatsen), eten en een 'six pack' bier mee.

Om een uur of een rollen we moe in bed.

Woensdag 11 juni

We slapen uit (tot 9 uur). Jacques en Ruud gaan douchen. We ontbijten kalm, wassen af en drinken een kopje lekkere Hollandse koffie. We gaan even naar de winkel om brood en beleg te kopen, en liften dan naar de Gass Well Road. Die gaan we een eind in: lopen, liften, lopen. Terug: lopen, liften en lopen. Maar: voornamelijk dus lopen. Het is heel mooi weer, al staat er een koude wind.

Als er bij ons 's winters sneeuw ligt en de zon schijnt, kan het licht ondanks de laagstaande zon tamelijk verblindend zijn. Maar hier ligt er sneeuw en de zon staat hoog aan de hemel. Die combinatie maakt het buiten lichter dan licht. Je moet het meegemaakt hebben om het te kunnen begrijpen.

's Avonds zijn we alledrie bekaf. We hebben moeie voeten en rode hoofden. Sherie is even thuis om een afscheidsfeestje voor haar baas voor te bereiden. Wij krijgen van haar wat Californische wijn. Niet echt groots. Daarna gaat zij weg. Wij hebben het rijk alleen. We eten stamppot zomerkool/aardappelpuree/melkpoeder met een blikje hutspot er doorheen.

Na het eten ga ik lekker onder de douche. Ruud en Jacques gaan nog een wandeling maken. Nee, ze zijn zo terug. Sherie heeft ons bezworen niet te gaan slapen voordat zij thuis is, ze wil het nog een beetje gezellig maken voor ons. Ruud en Jacques willen op bed liggen voordat Sherie komt. Ze zijn zogenaamd te moe om nog met Sherie te praten.

Ik ga op een gegeven moment naar bed. Ik zit compleet te slapen in de schommelstoel. Ik schrijf een brief aan Sherie om uit te leggen waarom we al naar bed zijn. Een hele tijd laten wordt ik even wakker omdat Sherie thuiskomt. Zijn Ruud en Jacques er nog niet! Blijkt later dat die hebben zitten kletsen bij een blanke man, getrouwd met een eskimose. De man heeft heel trots zijn fotoboeken met jachttrofeeŽn laten zien.

Ook niet leuk hoor, dat Sherie nog eerder thuis is dan Ruud en Jacques.

Donderdag 12 juni

We staan vroeg op - om half zeven. Om half acht brengt Sherie ons naar het vliegveld. Daar wacht een onaangename verrassing. Er was ons uitdrukkelijk verteld dat we niet konden reserveren voor het vliegtuig naar Point Hope. Bij de balie blijkt nu, dat er wel degelijk een voorlopige lijst is- en die is al helemaal vol!

Gelukkig blijkt het allemaal mee te vallen. Lang niet iedereen die op de lijst staat gaat mee (als die en die gisteren teveel gedronken hebben gaan ze niet mee, zo wordt ons verteld). We gaan met een klein vliegtuig (in totaal negen zitplaatsen) naar Point Hope. Een gemengd gezelschap, onder andere een eskimomoeder met baby (de baby is een beeldje: donker koppie met zwarte haren recht overeind, geel kruippak), een moeder met kleuter, een vrouw die een ingewikkelde reis gaat maken.

Ruud vraagt aan ons of er ook een stewardess met koffie langskomt. Dat niet, maar tot onze verrassing worden er wel donuts uitgedeeld.

Het vliegen in een kleine 'plane' is veel leuker dan in een grote. Je hebt meer het idee dat je vliegt. Helaas is er nogal veel bewolking, slechts af en toe is er een stuk van het toendralandschap tussen Barrow en Point Hope te zien.

We maken een tussenlanding in Wainwright, een Eskimonederzetting. De volgende plaats, Point Lay, kunnen we niet aandoen omdat het er mistig is. De vrouw met het ingewikkelde reisschema ziet haar plannen in duigen vallen: in Point Lay zou een van haar reisgezellen instappen. De vrouw met de baby moest hier uitstappen. Zij gaat nu mee naar Point Hope en wacht daar tot het vliegtuig teruggaat. Op de terugweg kan het misschien wel landen in Point Lay. Later zeg ik wat meewarig tegen haar dat ze nu moet wachten. Zij geeft als antwoord dat ze wachten niet erg vindt. Gelukkig dan maar.

Enkele vluchtgegevens: snelheid 160 knopen, toeren/minuut: 2200, hoogte tussen Barrow en Wainright: 2500 voet tussen Wainright en Point Lay: 2500 voet tussen Point Lay en Point Hope: 4500 voet (i.v.m. vrij hoge kliffen)

Om tien uur zijn wij uit Barrow vertrokken, om half een staan wij in Point Hope. We gaan met de bus naar het dorp. Sherie heeft ons geadviseerd om eerst naar het gemeentehuis te gaan en een kampeerplaatsje te vragen.

Evenals in Barrow is het land in Point Hope voornamelijk eigendom van de Eskimo's. Daar mogen wij niet zomaar op gaan staan. Helaas is de persoon die daar over gaat net even niet aanwezig. Gelukkig heeft Sherie ons ook nog het adres gegeven van vrienden van haar, dus gaan we daar maar naartoe. Iemand is zo vriendelijk met ons mee te lopen naar hun huis.

Jacques werpt zich op als woordvoerder en gaat naar binnen. We maken kennis met Conny Carter en met haar kinderen Grace (4) en Otheneil (2). Connie moet duidelijk even wennen aan het idee dat er drie Hollanders voor haar neus staan. We leggen uit dat we een plek zoeken om te overnachten. Zij biedt ons haar winkeltje aan, dat momenteel toch gesloten is. Wij overleggen in het Nederlands wat we zullen doen, hetgeen Grace de opmerking ontlokt: 'They talk funny, mam'. Met het antwoord 'They speak their own language' lost haar moeder dit raadsel op.

De winkel is niet bepaald een knus hokje. Er liggen allerlei hebbedingetjes, die de eskimo's momenteel toch niet kunnen kopen omdat veel van hen werkeloos zijn en dus weinig geld hebben. Verder is het er tamelijk smerig. We besluiten er toch maar in te trekken, het is maar voor twee nachten. Jacques kan op een bank liggen, Ruud en ik mogen een ijsbeervacht (wat je al niet meemaakt) als matras gebruiken.

Wat later maken we kennis met de man van Conny, Steve. Hij is een Eskimo. Eerst is hij wat stug, later niet meer bij ons weg te krijgen. Hij weet heel veel te vertellen over de Eskimo-cultuur.

Point Hope wordt voor 95 procent door Eskimo's bewoond. Ze wonen hier al eeuwenlang. Hun huis staat op het land, maar Is winters gaan ze jagen op het ijs voor de kust en Is zomers trekken ze meer het binnen land in.

Vroeger bleven ze soms weken weg. Dat is nu helemaal veranderd. Ze trekken er nog wel op uit, maar niet meer zo lang. Met sneeuwmobielen en driewielers is hun reikwijdte veel groter geworden. Je ziet hier veel oud en nieuw naast elkaar, bijvoorbeeld de traditionele skinboats (houten geraamte met zeehondenhuid bespannen) naast moderne boten met een 50 pk buitenboordmotor. Er wordt heel veel gejaagd in deze omgeving. Dat hebben de eskimo's altijd al gedaan. Verder zijn veel eskimo's werkeloos, en om hun tijd zoet te brengen en om wat extra te verdienen gaan ze jagen. Ze schieten op alles wat er voor de loop van hun geweer komt: vogels, kariboes, ijsberen, andere beren, zeehonden, walrussen. Verder mogen ze jaarlijks een paar walvissen vangen, maar alleen met huidenboten en harpoenen.

Het is wel verklaarbaar dat de Eskimo's zoveel jagen, maar vroeger hadden de dieren een kans en nu absoluut niet meer. Vroeger moesten de Eskimo's lopen of peddelen, en ze waren gewapend met speren. Nu hebben ze sneeuwmobielen, raceboten en geweren. Uiteraard mogen wij geen oordeel uitspreken over deze manier van leven, maar voor ons gevoel zit er toch iets scheef. Na wat gegeten te hebben maken we een wandeling. Het is helder, zonnig weer en er staat een koude noordoostenwind.

Als we terugkomen staat Steve al zo ongeveer op ons te wachten. Hij vertelt

ons van alles en laat ons walrus-slagtanden zien (zwaar!) en allerlei eskimovoorwerpen.

We mogen van Steve en Conny gebruik maken van de sanitaire voorzieningen van hun huis. Een chemisch toilet, water uit een rijdende container. Er is geen afvoer in het aanrecht. Conny verzucht dat ze deze primitieve toestand in het begin wel leuk vond, een avontuur, maar nu is de charme eraf. Het is gewoon werk geworden. Toch blijven ze in dit huis wonen, want het kost ze niets.

Conny is afkomstig uit Ohio. Ze wilde graag naar het arctische gebied, heeft in Fairbanks gestudeerd en een tijdje in Barrow gewerkt. Daar trouwde ze met Steve. Ze vonden Barrow te groot, te druk en onrustig, en wonen nu sinds twee jaar in Point Hope. Conny vindt het leuk om mensen van buiten te ontmoeten, al heeft ze het verder naar haar zin in Point Hope. 's Zomers gaan ze landinwaarts ergens een kampje opzetten om te jagen. Ook gaan ze jagen op zee. Eskimo's hebben veel vlees nodig. Al was het alleen maar voor het hondenspan dat ze hebben. Sledehonden zijn overigens erg aardige beesten. Je zou denken dat het agressievelingen zijn, maar dat is niet zo. De kleine Otheneil maltraiteerde de honden nogal, maar ze deden niets terug.

Is Zomers gaan de Eskimo's nauwelijks naar bed. De kinderen liepen om twaalf uur Is nachts nog lustig rond te springen. Ze gaan gewoon slapen als ze uitgeput zijn.

Conny heeft bijna een graad in taalwetenschappen, met als specialisatie Inupiak. Dat is de taal van de Eskimo's in dit deel van het poolgebied. Ze geeft les - er is in het noorden altijd gebrek aan leerkrachten - en dat geeft het gezin een regelmatige bron van inkomsten. Steve is timmerman, en vaak werkeloos.

De Eskimo's spreken tegenwoordig vrijwel uitsluitend Engels. De blanken hebben in het verleden het Engels bijna met geweld ingevoerd. De kinderen mochten op school alleen Engels spreken, en werden gestraft en vernederd als ze toch Inupiak spraken. Daarom spraken hun ouders ook vaak Engels, om de kinderen te helpen. Er zijn gelukkig nog mensen die Inupiak spreken, en de laatste jaren is er veel van opgeschreven. Er is zelfs sprake van een groeiende belangstelling.

Vrijdag 13 juni

Het slapen op een ijsbeer is ons prima bevallen. Weliswaar schuif je er in de loop van de nacht met de vleug mee langzamerhand af, maar het ligt zacht en warm.

We maken een korte ochtendwandeling, richting punt. We kijken bij een vrouw die op de traditionele manier met een ulu een zeehond zit te villen.

Om half een zijn we weer terug. Steve en Conny hadden op ons gerekend met eten, maar in onze onschuld hebben wij dat verkeerd begrepen. We krijgen wat vogelpoten van een onbestemd merk. Conny zegt dat ze van koningseiders zijn, maar die hebben toch zwemvliezen? Het is niet echt een koningsmaal. Na het eten gaan we landinwaarts lopen. We lopen over de toendra, met meertjes, natte gebiedjes. Het weer is prachtig, met het ontzettend lichte licht van het noorden. We eten onderweg warm: brood en soep. Een mooie wandeling, maar je loopt je hier een ongeluk omdat de afstanden nog vrij groot zijn. Als we hier nog eens naartoe gaan moeten we echt een driewieler lenen.

Weer terug bij Conny en Steve krijgen we nog geroosterde zalm en brood. De kleine Grace zat genietend aan tafel gebakjes te maken van zoutjes. Ze deed er dik boter op en dan dik kaas. Eskimo's zijn erg aardig voor hun kinderen. Ze laten ze hun gang gaan, pas als ze gevaarlijke dingen gaan doen grijpen ze in.

Zaterdag 14 juni

Na het ontbijt maken we met de familie Oomittuk (zo heet Steve) een tochtje. Zij gaan met z'n vieren op de driewieler, wij met ons drie6n op een aanhangertje erachter. We gaan naar het oude dorp, dat op een landtong ligt. Daar kun je zien hoe de eskimo's honderden jaren lang hebben geleefd. Ze maakten een geraamte van walvisbeenderen en dekten dat af met grond en plaggen. Het huis bestond uit een kleine kamer met een lange ingang. Met z'n allen woonden ze in 'een kamertje. De ouders van Steve hebben toen ze kleine kinderen waren nog in zo'n huis gewoond.

De landtong waarop Point Hope ligt kalft steeds verder af. Daarom is het nieuwe dorp meer landinwaarts gebouwd.

Amerikanen zeggen altijd dat ze zo weinig geschiedenis hebben, zo'n driehonderd jaar eigenlijk nog maar. Helaas vergeten ze dan dat hun land al eeuwen- en eeuwenlang bewoond wordt door mensen met een rijke cultuur zoals de eskimo's en de indianen.

Steve rijdt ons helemaal om de punt heen. Wij horen nog een paar keer zijn standaardopmerking 'they taste good'. Dit geldt voor: zeehonden, walrussen, jonge walvissen, eenden, ganzen, kariboes, ijsberen.

Om een uur of een nemen we hartelijk afscheid van Conny, Steve, Grace en Otheneil (een verbastering van Arthur-Neill). Met de bus gaan we naar het

vliegtuig. We moeten nog even wachten; het vliegschema luistert niet zo nauw.

Met een Twin-Otter vliegen we naar Kotzebue. Het vliegtuig heeft al 36.000 uur gevlogen, en was vroeger in Noorse dienst. We zijn de enige passagiers (er kunnen er 16 in). Ruud gaat dan eens links en dan eens rechts zitten. Daardoor moet de piloot voortdurend trimmen, maar hij zegt later dat hij dat niet erg vindt. Op ons verzoek vliegen we vrij laag (500 voet). Onder ons zien we oceaan, ijsvelden, kale toendra. Vlak bij Kotzebue begint alles groener te worden. Grote ongerepte gebieden, heuvels en meren. Hier hoef je echt niet te gaan lopen, daar is het veel te nat voor. Het is wel schitterend om te zien.

Om half drie arriveren we in Kotzebue. We moeten een uur wachten, en wandelen wat rond het vliegveld. Om kwart over drie staat de piloot naar ons te wuiven en te roepen: we moeten weg.

Van Kotzebue naar Nome vliegen we weer in een kleiner vliegtuig. Ruud zit naast de piloot. Op Shishmaref, een Eskimo-dorp op een langwerpig eiland, maken we een tussenlanding. De startbaan ligt dwars op het eiland, en ziet bij het aanvliegen ontzettend kort uit. En dat is geen wonder, want hij is maar zeshonderd meter lang.

Daarna vliegen we naar Nome. Eerst op 2500 voet hoogte, later op 8000 voet omdat we de Bendeleben en Kigulaik Mountains over moeten, met toppen van 2000 tot 3000 voet. Zelfs zo hoog was het nog +5'C. De piloot bereidt ons er op voor dat er in Nome een hittegolf heerst. Het is er 25'C, en dat is sinds 1946 niet meer op 15 juni voorgekomen. Als we uit het vliegtuig stappen slaat de warmte ons inderdaad tegemoet. Dat zijn we helemaal niet gewend. Was het in Barrow nog winter, hier is het al zomer.

Ik word met de bagage in de aankomsthal van Cape Smythe achtergelaten, Ruud en Jacques gaan er op uit om vervoer te regelen. Aardig detail: er hangen kindertekeningen in de hal, en 'een ervan is gemaakt door T. Hogendorn, wonend op 'Little Diomede', een eiland in de Beringstraat.

Na een hele tijd komen de Ruud en Jacques terug met de mededeling dat ze vervoer naar de stad hebben geregeld. We krijgen een lift van twee Amerikaanse vogelkijksters die de beschikking hebben over een grote pick-up.

Ze nemen ons mee naar Nome. Helaas, een auto zit er vandaag niet meer in. De ene verhuurder is gesloten en de andere heeft geen auto. De dames zetten ons even buiten Nome af bij een stukje grond waar wij de tent wel kunnen opzetten. En daar maken wij voor het eerst kennis met Alaska's nationale trots: MUGGEN. We laten ons een paar keer steken, eten wat, en gaan dan slapen.

Zondag 15 juni

Jacques is als eerste opgestaan en heeft een auto gehaald bij Jim West. Een beroemde figuur in Nome, rijk geworden met van alles en nog wat, maar vooral met goud vinden en verkopen. wij krijgen de auto van Jim West junior mee, een Oldsmobile Cutlass Supreme. Hiermee zou je je in Nederland nauwelijks kunnen vertonen. Echt een proleten-mobiel. Een 1981 model, tweedeurs, 3,8 liter V6 motor met automatische versnellingsbak en airconditioning, met een bekleding van rood pluche en een afneembaar dak. Niet echt een geschikte auto voor ruwe wegen, maar het is niet anders. Hij kost nog 65 dollar per dag ook.

We pakken de tent in, laten de tank volgooien, en doen boodschappen. We gaan eerst op het vliegveld de vlucht naar Fairbanks boeken. Ruud versiert en passant een stapeltje 1:500.000 luchtvaartkaarten; Jacques doet even later hetzelfde. Helaas zit de kaart van Nome en omgeving er niet bij.

Nome is een armoedige, stoffige stad, waar ik voor mijn verdriet nog niet zou willen wonen. Er zijn kroegen en restaurants, een paar winkels en veel armoedig uitziende huizen. Doordat de wegen onverhard zijn is het een stofzooi van jewelste. Je weet dat je in Alaska bent, maar Nome lijkt meer op een plaats in de Derde Wereld.

Zonder enige spijt verlaten we Nome en rijden naar de Nome-Taylor Road. Die is destijds aangelegd door goudzoekers en loopt 86 mijl het binnenland in. Bij de vermeende giervalkenrots eten we wat (water komt van een sneeuwveld).

We vinden een mooi plaatsje om de tent op te zetten bij een zijrivier van de Pilgrim River. We eten macaroni met een blikje vlees, en zitten om tien uur 's avonds nog in de zon met de zonnebril op. we beginnen al aardig verweerde koppen te krijgen. We maken een avondwandeling, en om een uur of half twee gaan we slapen.

Maandag 16 juni

We staan Om negen uur op. We ontbijten in het gezelschap van muggen. We rijden de weg af, verder de bergen in. Het is waanzinnig om te bedenken dat we in Alaska zijn! Het is 25-30įC, de zon staat stralend aan de hemel, er is weinig wind. Het is te warm om te lopen. We zien wat verder van de weg prachtige meren liggen, we zien er zelfs eendjes op dobberen, maar de moed ontbreekt ons om er naartoe te lopen. Het land is kurk- en krukdroog. Het veen en de mossen kraken als je er overheen loopt.

Veel mensen zullen denken: heerlijk toch, lekker een dun bloesje aan en een korte broek. Nou, dat wil je wel laten. Voor je het weet hebben de muggen je aan alle kanten te grazen genomen. Ik heb nog steeds vrij veel kleren aan (de jongens iets minder). Sinds ik een keer ziek ben geworden van de muggensteken, weet ik wat me te doen staat: zorg dat ze niet bij je kunnen komen. Dankzij Fjallraven en Helly Hansen lukt dat grotendeels.

We rijden een heel eind de weg af. Het landschap is wijds, veel wijdser en grootser nog dan in ScandinaviŽ. Er zijn wel sporen van menselijke activiteit. Goudzoekershuisjes, resten van spoorlijntjes.

We rijden een heel eind langs de Pilgrim River. Op een bepaald punt ligt nog vrij veel sneeuw en ijs over het water heen. Sneeuw en ijs zijn veranderd in ijspegels die tegen elkaar aan gedrukt recht overeind staan (vergelijk pool van een vloerkleed). We drinken een blikje fris 'on the icicle'. Weer terug bij de tent nemen wij een bad in onze rivier. Niet dat wij er in gaan liggen dobberen, daar is het water te koud is. Maar overgieten met lekker fris water is verrukkelijk. Ik was mijn haar, en dankzij de warme wind is het binnen een kwartier alweer droog. Van deze kans maak ik ook maar gebruik om sokken te wassen, indachtig het oude gezegde:

wilt u een kabel zonder kinken was uw sokken voor ze stinken

Nu zit ik volledig aangekleed (inclusief pooltrui) te schrijven. Op die manier probeer ik de muggen te slim af te zijn. Jacques heeft daarvoor een andere methode ontwikkeld: hij wisselt om de tien minuten enkele tientallen meters van zitplaats. Toch is dit ijdele hoop: veel domme muggen zijn je toch te slim af.

We eten macaroni met vlees en drinken chocolademelk (just add water) toe.

Dinsdag 17 juni

Alweer mooi weer. Is Morgens waait er eerst een frisse wind, maar om een uur of tien is het alweer echt warm. Na het ontbijt rijden we naar de giervalkenrots. We drinken er koffie en zien de giervalk wederom niet. Daarna rijden we naar de kust. We doen eerst boodschappen in Nome.

Is Middags gaan we naar het westen, richting Safety Sound. Nome ligt aan een baai. We kijken eerst nog even wat voor vogels daar zitten en eten meteen wat. Er hangt prachtige zalm te drogen. Jacques gaat vragen of de zalm te koop is. De eigenaar van de heerlijke vis zegt wat kortaf dat er nog maar weinig zalm is gevangen en dat hij deze exemplaren niet afstaat. Helaas!

Net buiten Nome komen we langs enkele prachtige wegwerkzaamheden, waar we met onze buikschuiver voorzichtig overeen moeten. Huisgrote rotsblokken liggen links en rechts verspreid, er rijden zeer grote vrachtwagens, shovels en happers rond, en verder staan er waarschuwingen voor 'blastings'.

De omgeving van de lagoons is heel mooi. 'Net de slufter' zegt Jacques, 'maar dan groter'. Een uitgestrekte vlakte met kreken, plasjes, gras, zoutminnende vegetatie. Er zitten vrij veel vogels.

Waar de weg afbuigt het binnenland in, vinden we een geschikt plekje om de tent op te zetten. Wij komen tot de ontdekking dat er een gaatje in onze tent is gekomen! Hij heeft ergens tussen bekneld gezeten. Ik knip een stukje van een lintje af, en zet dat achter het gaatje.

Het is hier aan zee niet meer zo warm. We eten met de jassen aan (soep, macaroni, chocolademelk) en maken nog een avondwandeling.

Het lijkt wel of we iedere dag hetzelfde eten (macaroni) maar dat valt erg mee. In Amerika is macaroni in veel verschillende soorten en smaken verkrijgbaar. Je doet er een blikje vlees, kip of vis bij, en je hebt eten dat echt lekker smaakt (en weinig bereidingstijd kost!).

woensdag 18 juni

Om zeven uur staan we op. Het lijkt wel of het ieder moment kan gaan regenen, dus we breken in razende vaart op. Achteraf valt het erg mee, er trekt alleen een mistbank vanuit zee het land in. We rijden richting Nome, en maken hier en daar een klein wandelingetje.

Om half twaalf zijn we in Nome op het vliegveld. Daar word ik met de bagage in de hal gestald. Ruud en Jacques brengen de auto terug. Dankzij hun zielige gezicht krijgen ze een lift terug. Om half een zijn ze er weer.

We besluiten dan met het vliegtuig van een uur te vertrekken. We pakken snel in, regelen de tickets, geven de bagage af en stappen in het vliegtuig (Boeing 737). We vliegen via Anchorage, waar we moeten overstappen. wij missen echter de aansluitende vlucht naar Fairbanks. We installeren ons in

de hal, en nemen de tijd om wat zaken te regelen. Postzegels, telefoontjes, enz.

Even later vraagt een mevrouw van Alaska Air, de maatschappij3' waar we mee vliegen, waarom we niet in vliegende vaart naar Gate 3 zijn gegaan, waar het vliegtuig naar Fairbanks speciaal op ons stond te wachten. Maar toen wij daar aankwamen, was het echt al weg. Gelukkig neemt een Amerikaanse mevrouw het voor ons op: zij was veel eerder dan wij bij Gate 3, en toen was het ook al weg. Even later realiseren wij ons dat ze onze rugzakken nooit zo snel over hadden kunnen brengen. Hadden we er toch in Fairbanks op moeten wachten.

Om vijf uur vliegen we verder met een Boeing 727. Gelukkig arriveren onze rugzakken tegelijk met ons. Gelukkig zeg ik, want terwijl ik sta te wachten tot Jacques en Ruud een huurauto hebben geregeld, zie ik heel wat mensen tot de ontdekking komen dat hun bagage overal kan zijn, maar niet in Fairbanks.

De huurauto is een Ford Escort (vijfdeurs), waar wij en de bagage royaal in kunnen. Allereerst gaan we naar een winkel in kampeerbenodigdheden om de brander van Jacques te laten repareren. De winkel is een soort Bever Zwerfsport, maar dan drie keer zo groot. De tentencollectie hangt opgesteld aan het plafond. Slim.

Daarna doen we boodschappen in de grootste supermarkt die ik ooit heb gezien. 24 uur per dag open, zeven dagen in de week. Het assortiment is zo groot, dat je binnen de kortste keren door de bomen het bos niet meer ziet. Er zijn bijvoorbeeld tien soorten instant chocolademelkpoeder, vijf soorten zoute amandelen en wel dertig soorten chips. De prijzen zijn iets redelijker in deze tweede stad van Alaska (70.000 inwoners), maar alles is - omgerekend - nog steeds duur.

Na enige bestudering van de kaart besluiten we de Cheena Hot Springs Road (60 mijl lang) af te rijden. De natuur aan weerszijde van de weg is tamelijk ongerept. Het landschap is het heuvelachtig en bebost. En er is veel water, dus: muggen!

Na wat zoekwerk vinden we tussen de weg en de rivier een plekje om de tent op te zetten. De rivier is handig, dan hebben we water bij de hand. We smeren ons in met muggeolie en maken een fiks rokend vuur om enigszins ongestoord te kunnen eten. Chili con carne, uit een groot blik. Het smaakt prima! Zeker met een pilsje erbij. We nemen thee met taart (muntsmaakje) toe. Wat een luxe.

Nog steeds goed in de muggeolie maken we een wandeling. De beesten blijven opdringerig, want het koelt geen graad af al is het dan na middernacht.

In dit gebied zitten veel bevers. Overal zie je dammen, burchten, afgeknaagde takken. De bevers zelf laten zich goed zien.

Om twee uur gaan we slapen.

Donderdag 19 juni

Om half tien staan we op. Dik ingesmeerd met muggeolie ontbijten we. We rijden richting Chena Hot Springs. Hier en daar stappen we uit om naar een gebiedje te lopen dat ons wel interessant lijkt.

Bij een winderig plekje (geen muggen, wel een picknictafel) drinken we uitvoerig koffie. Het is er zo lekker, dat we er ook nog blijven om te eten.

Het is eigenlijk een grote grindafgraving, waar een plasje in ligt. Tijdens het koffiedrinken komt er een eland aanlopen die in het plasje gaat staan eten van de waterplanten. Een fraai gezicht.

Cheena Hot Springs, aan het eind van de weg, is een kuuroord met warmwaterbronnen. Die zullen wel heel gezond zijn, maar ik vind dat ze stinken.

Onderweg zien we veel bevers. In bijna elke poel of plas zitten ze wel. Het landschap is er daadwerkelijk door beÔnvloed. Vrijwel elk plasje of meertje is ontstaan door een beverdam, en die dammen raken op den duur weer begroeid met wilgen en berken.

Op de terugweg drinken we in een Amerikaanse kroeg een pilsje. Het hele gezin (vader, moeder, kinderen en kleinkind) bevindt zich in de gelagkamer. De televisie neemt een prominente plaats in. Aan de tap zitten een stuk of vijf mensen luidruchtig te drinken. Wij bestellen drie blikjes bier, waar Ruud tot zijn ontsteltenis in totaal $ 6.25 voor moet betalen.

We eten bij een picknickplaats (met pomp en tafels). Menu: lintmacaroni met een blikje kippenvlees, chocolademelk toe. Ruud maakt een vuur om de muggen weg te jagen.

Laat in de nacht, om een uur of 'een, stoppen we de auto nog eenmaal om te luisteren of er iets zit te zingen. En dat is kennelijk net een keer te veel, want starten doet hij niet meer. We houden een auto aan om te vragen of die ons naar de tenten wil slepen. Hij wil het wel, maar heeft geen sleepkabel. Hij is bereid om met Jacques te gaan kijken hoe ver het is naar de tenten. En dat is niet ver, hooguit anderhalve kilometer.

Ik ga achter het stuur zitten, en Ruud en Jacques duwen de auto voort. Dankzij de vrij hoge temperatuur werken zij zich nog danig in het zweet. De weg loopt echter redelijk vlak, dus naar mijn idee mogen ze niet mopperen. We parkeren de auto bij de tenten en gaan slapen. Morgen zien we verder.

Vrijdag 20 juni

Om half negen staan we op. Na het ontbijt gaan Ruud en Jacques op zoek naar een telefoon, die zich vermoedelijk op ongeveer twee kilometer afstand in het 'Twin Bear Youth Camp' bevindt. Helaas: het kamp heeft geen telefoon. De dichtstbijzijnde telefoon is in een winkel, 9 kilometer verderop. De mensen van het kamp zijn best bereid met Ruud naar de telefoon te rijden, maar ze zijn ambtenaren, en mogen geen 'vreemden' meenemen in hun dienstauto. Een van de medewerkers van het kamp hoort het verhaal, en stelt zichzelf en zijn privť ter beschikking.

Ruud gaat - met de jongen - naar de winkel om te bellen. Hij legt het verhuurbedrijf uit wat er aan de hand is. Ze beloven met bekwame spoed een andere auto te sturen.

Jacques komt intussen terug naar de tent. Hij breekt zijn spullen op, ik de onze. Als we klaar zijn en net een kopje koffie hebben gezet komt Ruud terug (met de jongen van het kamp). Het lijkt ons slim om de kapotte auto langs de weg te zetten, zodat de mensen die een andere auto komen brengen kunnen zien waar ze moeten zijn. De jongen laat zijn auto bereidwillig voor de kapotte Escort spannen. Het wordt echter al spoedig duidelijk dat de oude kar van de jongen daar motorisch (en naar wij vrezen ook mechanisch) niet tegen bestand zal zijn. Wij laten de Escort dus maar staan en plaatsen een vuilzak langs de weg.

De jongen gaat weer terug: hij wil nergens geld voor hebben. Dank je wel is voldoende. Trouwens: in de winkel wilden ze geen geld hebben voor het bellen.

Om half een komt er een sleepauto met een nieuwe Ford Escort er achteraan. De slepers proberen - uiteraard - of de kapotte auto niet wil starten. Nee, hij doet het echt niet. Ze leggen de autosleutels op het dashboard.... en die vallen meteen door een luchtrooster heen. Niet bij te komen. En de auto staat op het stuurslot. Moeten ze de auto nog in een speciale aanhanger bevestigen ook, om hem mee te kunnen nemen.

We laden onze spullen in de 'nieuwe' auto en gaan richting Fairbanks. We bespreken nog even hoeveel geluk we hebben gehad: toen de auto het begaf waren we vlakbij de tent, en we stonden niet helemaal in de rimboe, zodat de hulptroepen ons snel konden bereiken.

In Fairbanks doen we wat boodschappen en gaan dan naar het westen, de Elliott Highway op. Het verkeer naar Prudhoe Bay, de plaats aan de noordkust waar de oliepijpleiding aan land komt, volgt de eerste 73 mijl van deze weg. Waarvan bovendien alleen de eerste 45 km is geasfalteerd.

Het wordt een 200 km lange rit over een grotendeels onverharde weg. Het traject waar ook het verkeer Prudhoe Bay over rijdt is geen pretje. Er rijden nog al wat grote vrachtwagens - en als ik zeg groot dat is dat naar Europese begrippen zeer groot - die gigantische stofwolken veroorzaken. Als er een gepasseerd is moeten we gewoon langs de kant gaan staan tot het stof is neergedaald.

Het landschap onderweg is zeer fraai. Toendra, taiga, bossen, water. Minto, het eindpunt van onze reis, is prachtig gelegen aan het water. Het dorp wordt bewoond door Indianen, die zeggen dat dit 'Gods own country' is. ze leven voornamelijk van de bijstand en brengen hun dag door met varen en vissen (snoek). Ze leven in fraaie huizen die ze van de overheid hebben gekregen. Het ziet er allemaal zeer vreedzaam en rustgevend uit.

We zitten even van het landschap te genieten, praten wat met de bewoners, en op de vraag of we niet een boottochtje kunnen maken wordt bevestigend geantwoord. Het is ons niet helemaal duidelijk wanneer en met wie, maar als we klaar zijn met eten komt de man aan wie we voorgesteld zijn als de 'Chief' (opperhoofd, burgemeester) vragen of we mee gaan.

De Indianen hebben platte boten met een grote motor. Daarmee ontwikkelen ze grote snelheid en veel lawaai. Het is een prachtige tocht door een landschap dat wel wat wegheeft van de Biesbosch (maar dan groter).

We zien al varend een stuk of vier velduilen. Een komisch moment ontstaat als Jacques op de terugweg bij het zien van een uil in een boom zegt: 'daar heb je die uil weer'. Het volgende ogenblik begint hij enthousiast te roepen: 'maar dat is een SPERWERUIL jongens!! Tegelijkertijd roept Lee: 'MOOSE, MOOSE WITH YOUNG!!'. Wij roepen 'Northern Hawkowl' en wijzen naar rechts, hij roept 'Moose' en wijst naar links.

Natuurlijk kijk je dan naar het verkeerde. De Sperweruil blijft rustig zitten, maar de elanden (moeder met twee kalfjes) gaan er vantussen.

Zaterdag 21 juni

's Nachts worden we even wakker omdat het zachtjes regent. Ruud denkt nog Trumpeter swans te horen, maar hij weet het niet zeker (kent het geluid niet). Na het opstaan gaat Ruud zwemmen in de rivier. Hij vindt het heerlijk: een temperatuur van 18-20'C.

Na het ontbijt rijden we - hier en daar rondkijkend - terug naar Fairbanks. De weg is er niet minder stoffig op geworden. We gaan nog even naar de oliepijpleiding kijken op een punt waar deze vlak langs de weg loopt. Toch wel een aardig technisch staaltje.

Om een uur of zes komen we aan op de Tanana Valley Fairgrounds Camping aan de rand van Fairbanks. We nemen een heerlijke douche. Daarna verzamelen we alle vuile kleren en stoppen ze in de wasmachine.

Ruud gaat de auto voltanken. In zijn onschuld tankt hij bediend. Dat kost op een volle tank (9 gallon) bijna een tientje extra. Bediend kost $ 1.429/ gallon, zelfbediening $ 1.08/gallon. Hij heeft hierover behoorlijk de pest in.

Omdat het wassen nogal lang duurt gaan Jacques en Ruud naar Creamers Field, kraanvogels kijken. Ze zijn al vrij gauw weer terug. Ja, er zitten wel kraanvogels, maar er zitten nog veel meer 'ferocious' muggen is hun verklaring. Het is er niet te harden zeggen ze, en ze zijn het bos uitgerend: Jacques voorop, Ruud er achteraan.

We eten en drinken nog wat en gaan om een uur of een slapen.

De was is nog niet helemaal droog want ik had geen zin meer om nog langer bij de droogtrommel te zitten.

Gelezen op benzinestation: 'The narrower the mind, the broader the statement'.

Gehoord bij de douches: 'We may not look better, but at least we feel better'.

 

Zondig 22 juni

Vannacht hebben we een klein beetje regen gehoord. Bij het opstaan is het wel weer mooi weer, maar omdat we in een bos staan droogt de tent geen steek. We pakken hem dus vochtig in. Om half negen zijn we bij de autoverhuurder. Een medewerkster brengt ons naar het station.

De trein vertrekt om half elf. De rit is schitterend. We rijden door uitgestrekte bosgebieden. Eerst is het landschap vrij vlak, later wordt het langzaamaan bergachtiger. We kunnen alles op ons gemak bekijken, want de

trein rijdt niet harder dan zestig kilometer per uur. En dan nog maar af en toe.

We hoeven ons niet te vervelen. We drinken uitvoerig koffie (2 koppen voor $ 0.50). We gaan een poosje in de 'dome' zitten, dat is een treinstel met een koepel, zodat je goed alle kanten op kunt kijken. Na de spijskaart bestudeerd te hebben (met de prijzen hier moet je reuze oppassen) gaan we uitvoerig lunchen in de restauratiewagen. Ruud en Jacques nemen een zalmsalade, ik de salade du chef. Keurig verzorgd en niet duur ($ 7.00).

Als we in Denali aankomen (ca. 2 uur) gaan we meteen naar het Visitor Center. Denali National Park is 24.000 kM2 groot (Nederland is 37.000 kM2). Er loopt 'een 140 km lange weg doorheen, die vrijwel geheel verboden is voor priv'e-vervoer. Gratis shuttle-bussen zorgen voor het transport.

We winnen informatie in, halen een vergunning om te mogen kamperen in sectie 30 en krijgen uitvoerige instructies over hoe te handelen in geval van een ontmoeting met een beer. we krijgen voedseltrommels mee: kunststof bussen waar een beer niet in kan komen (door ons berenboxen gedoopt).

Ruud en ik gaan nog even boodschappen doen bij het benzinestation, en dan gaan we met de shuttle bus het park in.

Onze buschauffeur heet Jean. Met haar kordate optreden maakt zij zeer veel indruk op Ruud en Jacques. Zelfs zoveel, dat ze mij bij het minste of geringste regelende optreden van mijn kant 'jean' noemen.

Het weer wordt naarmate we verder het park in komen steeds slechter. Als we bij sectie 30 arriveren regent het echt. Bij de brug over East Fork Toklat River gooit Jean ons uit de bus. Nu moeten we op eigen benen staan. Het rivierdal is zeer breed, en op een begroeid plekje langs de oever vinden we een paar vierkante meter vlakke grond, net genoeg voor twee tenten. Niet helemaal op de vereiste afstand en ook niet helemaal uit het zicht van de weg, maar we hebben niet de moed om nog verder te gaan.

We richten ons kamp in op de voorgeschreven wijze. In het midden staan de tenten. Een paar honderd meter de ene kant op richten wij een voedselbewaarplek in. Daar zetten we de 'berenboxen', neer. Een paar honderd meter de andere kant op is een geschikte plaats om te koken en te eten.

We zetten de tent zo snel mogelijk op, maar het wordt toch een natte bedoening. Dit is des te vervelender omdat de spullen die we in Fairbanks hebben gewassen nog niet eens helemaal droog zijn. En van mijn regenjas kun je veel zeggen, maar niet dat hij waterdicht is.

Afijn, niets aan te doen. We koken volgens de Gerard-methode, dat wil zeggen dat we net doen alsof het niet regent. Daarna drinken we in onze tent nog een pilsje en dan gaan we knap vermoeid slapen.

Maandag 23 juni

Bij het opstaan is het droog! We hangen onze natte rommel over takken en lijntjes. Tijdens het ontbijt - dat met al het heen en weer geloop vrij veel tijd kost - wordt het precies droog. Het weer ziet er dreigend uit, maar alleen 's middags valt er een tamelijk langdurige bui.

Het shuttle-bussysteem werkt voortreffelijk. Je kunt overal uit de bus stappen en later in een andere bus weer instappen. We gaan met de Shuttle bus naar Eielson. Daar is een bezoekerscentrum (heerlijk, toiletten).

Onderweg zien we kariboes, dall sheep en een beer die voedsel aan het zoeken is.

We lopen vanaf het bezoekerscentrum terug. Na een paar kilometer worden we aangehouden door een bus van de andere kant. Een stukje verderop (voor ons uit dus) staat een beer op de weg, waarschuwt de chauffeur ons. We lopen verder, en na een paar bochten zien we inderdaad de beer. Hij staat zich te schuren tegen een verkeersbord. Op zeer veilige afstand wachten we op de eerstvolgende bus die onze richting uitgaat. We stappen erin, en op onze mededeling dat er een stukje verder een beer OP de weg staat, gaat een enthousiast geroep op. Daar komen ze toch voor, voor de beren? Als we met de bus bij de beer komen zien we hem op een meter of twintig afstand. Een buitenkans.

Na een paar kilometer stappen we - ondanks de regen - weer uit de bus. We eten onder een brug. Een prima vriesdroogmaaltijd: kippensoep, een Mexicaans gerecht met macaroni, butterscotch pudding toe. En alles: just add water.

Terwijl we zitten te eten kijkt Jacques de dienstregeling van de shuttlebus nog eens door, en hij komt tot de conclusie dat de laatste bus net langs is gekomen. Eerst dringt de omvang van zijn woorden nog niet erg tot ons door, maar dan realiseren wij ons dat het misschien nog wel twintig kilometer is naar de tent. Lopend is dat toch een heel eind.

We eten in verhoogd tempo. We willen snel naar de weg toe, om onze kans op een of andere lift zo groot mogelijk te maken. Ik sta alles nog in de rugzak te stoppen, als Jacques roept: er komt een bus aan. In vliegende vaart ruimen we alles op, de laatste vuile pan houd ik maar in mijn handen, en dan stormen we naar boven.

Met een diep geluksgevoel laat ik mij op een bank zakken. ia, het is inderdaad de laatste bus, maar door de grizzly langs de weg is hij nogal verlaat. Dank, grizzly. Twintig kilometer lopen na een al vrij vermoeiende dag kan mij absoluut niet bekoren.

Onderweg zien we nog een grizzly met een al vrij groot jong. Met de telescoop waren ze goed te zien. Beren zijn zeer sterk, en ze bewegen zich met een verbluffend gemak door het struikgewas en tegen hellingen op.

Vanaf Polychrome Pass, een mooi punt waar de bussen altijd een stop maken, lopen we naar de tent (kilometer of vijf). We zien coloured pica's (door ons muiskonijn genoemd).

Om een uur of twaalf liggen we in de slaapzak.

Dinsdag 24 juni

Om een uur of negen staan we op. Het is helder, alleen boven de bergen hangen wolken. Er waait een frisse wind die de muggen aardig op afstand houdt. Tijdens het ontbijt zien we twee steenarenden.

We nemen de bus tot aan de brug waar we gisteren hebben gegeten. Een paar kilometer naar het noorden ligt een meer waar we naartoe lopen. Tegen die tijd gaat een lekker kopje koffie er wel in.

Vervolgens gaan we naar Eielson en vandaar verder richting Wonder Lake. Op een plek waar volgens de kaart enkele meertjes moeten zijn stappen we uit. We lopen de plasjes langs, eten en drinken wat, en gaan met de laatste bus terug naar de tent.

Om een uur of tien dineren wij: citroensap vooraf, beef noodle soup, rijst met kip en een frambozen vruchtenpastei (raspberry cobbler) toe. Een voor treffelijke vriesdroogmaaltijd van het merk Richmoor. Hij is voor vier personen bedoeld, maar met z'n drieŽn heb je er net genoeg aan. Kost $ 9.50. We wassen secuur af om geen beren te lokken.

Tijdens het eten waren we een beetje verkleumd geraakt en om warm in de slaapzak te kunnen kruipen maken we nog een avondwandelingetje.

Woensdag 25 juni

We staan niet al te vroeg op. Tenslotte gaan we ook niet vroeg slapen. Er staat een frisse wind, de temperatuur is 10-15'C. De bewolking is vrijwel verdwenen. We controleren even hoeveel vervoermiddelen er gisteren over onze brug zijn gereden: 30, inclusief bussen.

We nemen de bus naar het oosten. Bij Sable Pass stappen we uit. we zien een paar meertjes liggen, daar lopen we naartoe. Eerst een steile afdaling, dan een riviertje over. Ik zie geen kans er droog overheen te komen, en waad er maar doorheen. Bij het eerste meertje drinken we koffie. Dan lopen we naar meren die we verderop zien liggen. Het zijn bevermeren, afgesloten met een beverdam, In een van de meren zwemt een eland rond.

Onze lunch bestaat uit: Turkey tetrazini (= spaghetti, kalkoen, parmezaanse kaas enz.) en heet citroensap toe. Terug moeten we eerst een heel stuk omhoog lopen, en dat is veel onoverzichtelijker dan omlaag. We lopen vast in wilgebosjes en struweel. Met enige moeite wurmen we ons er uit. Ik heb het idee dat mijn - gebrek aan - lengte in dit geval een voordeel is. Bij voortduring lopen we hard met onze berebelletjes te rammelen.

Ik steek de rivier weer wadend over. Ik ben er erg enthousiast over, want je krijgt er lekker frisse voeten van. Dit doet Jacques besluiten eveneens zijn voeten te spoelen.

Weer bij de weg zien we meteen een bus aankomen. Hij kan ons niet meenemen, want hij zit al vol. We gaan dus alvast maar lopen. Volgens de chauffeur komen er nog meer bussen aan. Hij heeft gelijk, maar dan zijn wij al vlak bij onze brug. Hebben we toch 7 mijl gelopen. Opgeteld bij de rest van de wandeling komen we op een dagtotaal van zo'n 20 kilometer. Onderweg zien we nog een grizzly. Helaas maar even, en ver weg. Weer bij de tent drinken we chocolademelk (Swiss Miss. Verpakt in eenpersoons porties. Just add water.)

Voor ons doen gaan we vroeg naar bed.

Donderdag 26 juni

Om kwart voor acht staan we op. Het is helder weer, we willen de berg zien, dan moeten we zo vroeg mogelijk bij Eielson zijn, dus we gaan zonder ontbijt op pad. We staan tijdig op de brug. Jacques en Ruud krijgen het al gauw zo warm, dat ze op de openbare weg hun lange onderbroek uittrekken.

We blijken niet de enigen te zijn met het vaste voornemen vroeg bij Eielson te zijn om de berg te zien. De eerste vier bussen - die weliswaar vlak achter elkaar rijden - zitten vol. Om kwart over 9 komt er een bus met voldoende plaats.

Bij Eielson is de berg inderdaad prachtig te zien. Een buitenkansje (vinden wij dan nog). Ruud maakt foto's van de top door de Nikon 400 (IF-ED 3.5) van een Engelsman (kosten: ca. 10.000 gulden).

Eielson is voor ons een beproeving. We hebben nog steeds niet ontbeten, en er lopen mensen rond met heerlijk belegde boterhammen. De geur van bijvoorbeeld zalmsalade is nauwelijks te verdragen, en ik moet Ruud ervan weerhouden om op boterhamrooftocht uit te gaan.

Als de bus weer vertrekt gaan we mee, richting Wonder Lake. Onderweg stappen we uit om te ontbijten, koffie te drinken en te lunchen. Aan het eind van de middag rijden we naar Wonder Lake. We kijken even bij het meer, maar daar is het niet te harden van de muggen.

Met de laatste bus gaan we weer richting tent. We hebben een ervaren vogelaar als chauffeur, Alan Seegert genaamd. Hij heeft ook het boekje 'Birdfinding guide to Denali National Park' geschreven.

We zien als bijzondere dingen: een vos, slapend op een meter of 15 van de weg. De bus stopt, rijdt terug, stopt. De vos tilt alleen even zijn kop op, kijkt even naar de bus, en gaat verder met slapen. Omdat hier geen jacht is zijn de dieren echt mak.

Bij Polychrome Pass: consternatie. Er loopt een wolf! Gauw de telescoop opgesteld. Hij loopt op ongeveer een kilometer afstand met een prooi in zijn bek (rode vos). Ruud kijkt, Jacques kijkt (weet van enthousiasme bijna niet wat hij moet doen). ik kijk ('first my wife', houdt Ruud de overige belangstellenden op een afstand). Dan verdwijnt de wolf in de bosjes.

Het eten zag er vandaag als volgt uit:

ontbijt: havermout

middageten: spaghetti

avond: mueslipap met jam

Vrijdag 27 juni

We staan vroeg op (6.30). De muggen beginnen onmiddellijk in volle hevigheid aan te vallen. Geteisterd breken we de tenten op en eten we. Vooral mijn gezicht ziet er uit om medelijden mee te krijgen. Om half negen staan we op de brug. Jacques met al zijn spullen, wij alleen met de dagrugzak. onze grote rugzakken liggen onder de brug in de bosjes.

Even later komt de bus naar Riley. Daar arriveren om half elf. Jacques gaat douchen. Wij gaan boodschappen doen en bij het bezoekerscentrum wat zaken regelen.

Om een uur nemen we afscheid van Jacques, die over een uurtje met de trein naar Anchorage vertrekt.

Ruud en ik nemen de eerstvolgende bus naar wonder Lake. Onze chauffeur is Alan, de vogelkijker. Hij stopt ook voor vogels, tot verbazing van de overige passagiers. De meeste mensen komen namelijk voor de beren. Ze zi3'n daar zo op gefixeerd, dat ze rotsblokken, kariboes en zelfs in het zwart geklede wandelaars voor beren aanzien. En het duurt soms even voordat ze ervan overtuigd zijn dat ze het mis hebben. De mensen in onze bus willen om de haverklap stoppen voor kariboes. We zien er zoveel, dat Alan op een gegeven moment mededeelt dat hij alleen nog maar stopt voor kariboes die iets bijzonders doen. 'I hate kariboes', mompelt hij naar ons.

Om zes uur zijn we op de Wonder Lake Campground. We hebben een aardig eind met de bus gereden, vandaag. Is morgens van East Fork naar Riley (= 65 km, gelijk aan de afstand Delft-Amsterdam) en Is middags van Riley naar Wonder Lake (= 136 km, gelijk aan de afstand Delft-Apeldoorn).

We zoeken voor onze tent een zo hoog mogelijk gelegen plekje. Dan hebben we het meeste profijt van de wind (muggen!). Als de tent is ingericht bezondigen wij ons aan twee blikken bier ad 740 ml.

Mount McKinley (De Berg) is goed te zien. Een zesduizend meter hoge berg, omringd door bergen van 3000 meter. Wonderlake ligt op 1985 voet hoogte. Het uitzicht is om stil van te worden. Later op de avond wordt de berg geel, oranje, roze en tenslotte rood. Een aangrijpend schouwspel, dat zich - en dat is heel onwezenlijk - in volkomen stilte afspeelt.

Zaterdag 28 juni

Het is prachtig weer vandaag. Alleen rond de berg hangen een paar kleine wolkjes. Gelukkig is er af en toe wel wat wind om het gevliesvleugelde ongedierte in bedwang houden. En verder toch maar alle kleren aanhouden. Amerikanen lossen dat heel anders op. Die hullen zich in een wolk anti-mug uit een spuitbus.

We blijven een groot deel van de dag rond de tent hangen. We maken een praatje met deze en gene, lenen een teiltje om sokken te wassen (beginnen alweer een karakteristiek aroma te verspreiden), krijgen sneeuw aangeboden voor de koelbox (slaan we dus af) en eten een hot dog bij mensen die er teveel hebben.

Amerikanen zijn vriendelijke, behulpzame, goedgeefse mensen. ze beginnen nog wel eens over de bewapeningsplannen van Reagen of over het terrorisme in Europa, maar dan knikken we maar eens vriendelijk. In Nederland is het mogelijk om bij een eerste kennismaking je prive-leven geheel uit de doeken te doen, maar over geld praat je niet. In Amerika vraag je bij de eerste ontmoeting: waar kom je vandaan, wat voor werk doe je en hoeveel verdien je. Verder blijft het gesprek vrij oppervlakkig. Dit is dus ongeveer zoals het in boeken en tijdschriften beschreven wordt.

Later op de dag maken we nog een wat fors uitgevallen wandeling met onze Amerikaanse kennissen John en Fred. Vogelkijkers en -fotografen, respectievelijk schilder en beeldhouwer uit Chicago. Gezellige lui om mee om te gaan. We werken ons nog aardig in het zweet. Eerst lopen we flink omhoog, maar als je denkt dat je op het hoogste punt bent, komt de aloude teleurstelling: verderop ligt een nog net iets hogere heuvel.

Mt. McKinley en de omringende bergen zijn de hele dag goed te zien. En, zoals onze kennissen zeggen: na een tijdje beginnen ze op behang te lijken. Om half elf dineren we in de zon: macaroni met vlees en een blikje vruchten toe.

Om half 12 gaan we ondanks het mooie weer naar bed.

Zondag 29 juni

Door de zon worden we uit de tent gejaagd. Het is warm, en aanvankelijk nog windstil ook. Later begint het gelukkig te waaien. We ontbijten rustig. Ruud staat nog een poosje te praten met een paar Amerikaanse meisjes uit Holland, Michigan. Een van de meisjes preekt heel aardig Nederlands.

Om een uur of elf gaan we met de bus naar de giervalkenrots, samen met Tim en Jin Sweeney, weer andere Amerikaanse kennissen. We zitten een poosje met zijn vieren bij de giervalken. Tim en Jim gaan naar de overkant van de McKinley rivier, naar een goudzoekershut. Wij willen naar de Muldrow Glacier (een groene gletsjer). Zo ver komen wij niet, want we komen de rivier niet over. waden is te koud.

Op een gegeven moment betrekt de lucht en begint het hard te waaien. Ruud is al uit het rivierdal geklommen, ik loop nog beneden. Opeens zie ik een enorme stofwolk op me af komen. Die wordt door de wind omhoog gezogen uit het dal. Ik ben nog nooit zo snel tegen een toch vrij steile heuvel opgeklommen! Het is een dramatisch gezicht om een vijftig meter hoge muur van stof, die een zeer breed rivierdal vult, op je af te zien komen. Even later begint het hard te regenen, maar de bui duurt niet lang. Het stof verdwijnt en de zon komt weer tevoorschijn.

We missen helaas de bus van half zes naar Wonderlake. We moeten nu twee uur wachten. We liften naar de giervalkenrots en gaan daar nog een poosje zitten kijken. Als we een auto aan zien komen steken we de duim op: we krijgen een lift naar Wonderlake. Er is hier nog wel wat werkverkeer. Voorbij Wonderlake ligt een mijnwerkersdorp, en er zijn bruggen waaraan onderhoud moet worden gepleegd.

We eten vermicellisoep met een oosters smaakje, stamppot zomerkool + paprika/hamsaus en een kopje thee toe.

's Avonds mogen we de kano lenen van Tim en Jim. Heel sfeervol om in het mooie licht over Wonder Lake te kano6n, met op de achtergrond De Berg. De tweede keer dat we het vandaag op een holletje zetten is als we na onze kanotocht aan land gaan. Het lijkt wel of alle muggen uit de buurt op ons hebben zitten wachten. Ze duiken 'ferocious' op ons neer en de wandeling van de kano naar de tent heeft wel iets weg van spitsroeden lopen. We maken ons rap uit de voeten.

Om 'e6n uur gaan we vermoeid te bed.

Maandag 30 juni

Regen. De eerste planbedervende regen deze vakantie. We zijn misschien te veel gewend geraakt aan het voortdurende mooie weer. De stoffige camping verandert al snel in een modderige. We slapen uit. Als we gaan verhuizen vandaag, moet de tent toch wel een beetje droog zijn.

Helaas wordt het niet droog - de tent dus ook niet. We pakken we de natte boel maar in en gaan met de bus van half twaalf mee.

Hoe meer we naar het oosten rijden, hoe mooier het weer wordt. Als we bij Sable Pass uitstappen schijnt de zon alweer op volle kracht. We lopen naar het meertje waar we een paar dagen geleden ook zijn geweest. Het is warm. Met onze volledige bepakking op de rug (inclusief natte tent + bereboxen) lopen we aardig te zweten. Ruud zegt al dat hij straks in het meer gaat zwemmen. Bij een sneeuwveld gooien we de bereboxen alvast maar neer. Die halen we straks wel op.

Na enig rondlopen vinden we een geschikt plekje om de tent op te zetten. Dat moet wel snel gebeuren, want we zien een enorme bui aankomen. Net als de - toch al natte - tent klaarligt begint het te regenen, hagelen en keihard te onweren. Het gaat te snel om regenkleren aan te trekken. Binnen een paar tellen zijn we doornat. Tot overmaat van ramp blijkt dat het plekje dat we voor de tent op het oog hebben veel te mossig is. Hier hebben de haringen absoluut geen houvast! Het waait niet zo hard, maar wij vrezen windvlagen. We nemen de boel bij elkaar en gaan enkele tientallen meters verderop staan. Nu zijn de binnen- en de buitentent doorweekt.

We zetten de binnentent op, de buitentent er overheen en de regen druppelt zo naar binnen. Het grondzeil is niet meer waterdicht, op het onderplastic staan plassen water. Er staat dus al gauw een kantje water in de binnentent. We pakken de rugzakken, ik dweil de binnentent, leg de matjes op de grond en ga toch maar binnen zitten. Gelukkig zijn de spullen die in de rugzakken zitten en in de klerenzak niet nat geworden. Ik trek droge kleren aan. Dat voelt in ieder geval beter aan. De hele toestand komt tamelijk dramatisch over.

Ruud gaat de berenboxen halen. Die liggen onder aan een vertikaal sneeuwveld van ongeveer vijftig meter lengte. Hij rent op een holletje naar de sneeuw. Onder aan het sneeuwveld staand blikt hij naar boven. En aan de bovenrand staat een grizzly! De grizzly heeft het berebelletje waarschijnlijk al gehoord. Ruud wuift met zijn handen boven het hoofd en praat tussen het klappertanden door vriendelijk tegen de beer. Die doet een paar stappen in zijn richting, en huppelt weg. Tamelijk onder de indruk komt Ruud even later weer bij de tent. Een grizzly op vijftig meter afstand is toch iets te dichtbij voor het leuke. Als we later de pootafdrukken van de beer in de sneeuw bekijken, blijkt het maat 44 te zijn maar dan drie keer zo breed.

Gelukkig heeft de beer precies gedaan wat hij volgens de boekjes behoort te doen: contact met mensen vermijden.

Toen wij vandaag langs Polychrome Pass kwamen, stond in de rivierbedding van East Fork een tent met een eindje er vanaf een moeder beer met twee grote jongen. Dit drietal hield zich niet aan de spelregels. ze hadden kampeerders gemolesteerd, hoewel de eerlijkheid gebiedt te vertellen dat de kampeerders slordig waren geweest met eten. En als beren mensen eenmaal associŽren met voedsel, ontstaan er problemen.

Bij navraag bleek dat in de tent een paar rangers (volgens Ruud uit de kluiten gewassen cowboys) zaten. Bij de tent stonden berenboxen. Vanuit de tent hielden de rangers de beren in de gaten. Elke keer als de beren in de buurt van de tent of de berenboxen kwamen, werden ze beschoten met rubber kogels. Op die manier hoopte men de beren hun 'verkeerde' gedrag af te leren, zodat ze niet hoeven te worden afgeschoten.

De regen-, hagel- en onweersbui is net zo snel over als hij begonnen is opeens schijnt de zon weer. We hangen onze natte kleren over de struiken te drogen. Ruud maakt de binnentent los van de grond, veegt het onderplastic droog en vervolgens het grondzeil. Als de zon maar even schijnt is de tent weer waterdicht.

We eten om negen uur, gemakkelijke dingen waar je alleen water bij hoeft te doen. Noodle soup, beans + beaf francs in tomato sauce (niet zo lekker), havermout (cinnamon + spice smaak) en chocolademelk toe.

Ik ga om tien uur naar bed, ik heb genoeg beleefd vandaag. Ruud maakt nog een wandelingetje en komt er om elf uur ook in. We hopen maar dat het morgen mooi weer is, want onze kleren zijn nog lang niet droog.

Dinsdag 1 juli

Om negen uur worden we wakker. De zon schijnt en er staat een lekker windje. Onze natte spullen draperen we over de struiken. Om twaalf uur zijn de kleren zo ver gedroogd dat we het verantwoord vinden ze in de tent te leggen en op pad te gaan.

We lopen naar de Teklanika rivier. Die stroomt door een ongeveer een kilometer brede rivierbedding van kiezelstenen. we zouden de rivier wel over willen steken, maar onze laarzen zijn te laag en op blote voeten is niet aan te bevelen. Het water is namelijk smeltwater van een gletsjer en dus zeer koud.

De hoger gelegen rivieroevers zijn begroeid met ondoordringbare wilgestruiken en mooi, ongerept naaldbos. We slaan linksaf de bedding van een drooggevallen zijrivier in. Het is er bezaaid met mooie planten. We lopen het naaldbos een stukje in. Er hangt een heel bijzondere, verstilde sfeer. Bomen in alle stadia van ouderdom, zacht mos en een fraaie onderbegroeiing.

We eten op een geschikte plaats: chicken chop suy, havermout en thee toe.

Ruud heeft op de kaart een mooie route uitgezocht om door de bergen terug te lopen. We klimmen van 2700 naar 4200 voet meter en komen terecht in afbrokkelende rotsen, steenslag en gladde grashellingen. Boven blijkt dat het dal dat we voor de afdaling in gedachte hadden onbereikbaar is. De afdaling is, zoals zo vaak, moeilijker dan de beklimming. Klimmen is zwaarder, vind ik, maar afdalen moeilijker. En we lopen nog op laarzen ook! Gelukkig kunnen we via het dal van een andere drooggevallen zijrivier weer naar beneden. Wij zijn blij als we weer bij de grote rivier staan.

Terug bij de tent eten we nog een bordje pap. Om een uur of elf, als we naar bed gaan, betrekt de lucht weer helemaal. Er valt een fikse regenbui, maar die kan ons niet deren.

Woensdag 2 juli

De zon schijnt weer volop. We hangen de slaapzakken te luchten en gaan ontbijten. Ruud haalt een nieuw pakje lucifers uit de tent, en terwijl ik op hem sta te wachten zwemt er opeens een bever vlak voor me langs. Ruud komt terug met de lucifers. Als hij de bever ziet loopt hij toch nog maar een keer naar de tent om zijn fotospullen te halen. De bever besluit daarop in een bosje te kruipen om een dutje te doen.

We breken de tent op, pakken onze spullen in de rugzak en lopen naar de weg. Warm! Natte rug!

Om twee uur zijn we bij Riley. We leveren de berenboxen in en Ruud vertelt het verhaal van zijn 'bear encounter', zoals dat hier heet. Er worden uitgebreid notities van gemaakt.

Ruud pleegt enkele telefoontjes volgens het 'collect call' systeem. Vrijwel alle bedrijven in Amerika accepteren die. 'If it's business...',

Automatisch bellen - bij 'collect call' komt de operator er tussen - kost handen vol geld. Het lukt niet een auto te huren bij een bedrijf dat ons van het station in Anchorage wil komen afhalen. Dan zien we bij aankomst wel hoe we dat regelen.

We zetten de tent op op de Morino Campground, een loop-in kampeerterrein uitsluitend voor tenten. Er zijn wel toiletten, water is er niet. Dat kun je bij het station halen of uit de rivier. Wij halen het maar uit de rivier. Er staat een container om voedsel beerveilig op te bergen.

We installeren ons. Ruud gaat naar het hotel (geld halen en zich wassen), boodschappen doen, bellen. Ik ga de Fjallravenbroek van Ruud repareren. Er zit een grote scheur in het zitvlak. Ik torn de achterzak los en naai die er overheen.

Ruud komt een poosje later terug met onder andere bier. Heerlijk, want het is hier knap warm. We proberen drie merken: Lite (weinig smaak), Rainier (beter) en Miller (redelijk). Deze gigantische hoeveelheid drank doet ons ernaar verlangen ergens rustig te gaan liggen.

We eten stamppot hutspot (summer season) + honig hachee mix + blikje vlees + melkpoeder + aardappelpuree. Chocolademelk toe.

Donderdag 3 juli

Mijn nachtrust was niet ongestoord. Morino ligt tussen de weg en de spoorlijn in; bovendien ligt het onder de aanvliegroute van sportvliegtuigjes. Vannacht reden er een paar treinen langs, er waren auto's en vliegtuigen te horen en de grondeekhoorntjes en vogels maakten een hels kabaal.

Vandaag verlaten we Denali. Als we hier nog eens naartoe gaan kan het alleen maar tegenvallen. We hebben de afgelopen tien dagen zulk mooi weer gehad!

We staan kalm op, ontbijten rustig en drinken een kopje koffie. In de schaduw, want het is warm. Vervolgens pakken we onze spullen in en gaan naar de trein. We geven de rugzakken af en lopen naar het hotel. Dat moet ik tenslotte ook gezien hebben. Ze blijken er heerlijke ijsjes te verkopen. Verder is het groot. Het krioelt er van de gasten die hun kamers gedeeltelijk in oude spoorwagons en gedeeltelijk in barakken hebben. Er is een grote eetzaal, een bar, een cafeteria enz. enz. Om kwart voor twee zijn we op het station. Iedereen loopt rond in zomerkleren. Het is zo'n 80'F (25'C).

Na Denali lijkt de trein het toppunt van luxe. Voor de gelegenheid hebben wij zelfs onze goede kleren aangetrokken. Comfortabele zitplaatsen, water uit de kraan. Terwijl we koffie zitten te drinken raken we in gesprek met een jongen die afgelopen maandag (30 juni dus) uit Barrow is vertrokken. De sneeuw was er bijna weg, maar er lag nog veel pakijs rond de kust.

Met het gematigde gangetje van 60 km/uur (meestal minder) rijden wij door een schitterend landschap. Bij mijlpaal 279 zien we nog eenmaal Mount McKinley op een afstand van 46 mijl.

Ruud en ik zijn aardig afgevallen. Oorzaken: veel lopen, naar verhouding weinig eten, geen dikmakende tussendoortjes. Ook al het geloop tussen de tent, eetplaats en voedselopslagplaats draagt daartoe bij.

We eten uiteraard in de trein: salade met brood, heilbot met aardappelen, doperwten en aardappelsalade sinasappelsap en ijskoud water koffie toe.

We hebben maar heel even in de dome gezeten: het is er veel te warm.

's Avonds om half tien, een uur te laat, arriveren we in Anchorage. We vragen hoe dat komt, en volgens onze gastheer (elke wagon heeft een gastheer of -vrouw) komt het doordat we wegens werkzaamheden aan de rails af en toe langzaam moesten rijden. wij hebben niets van dergelijke activiteiten gezien. Volgens ons is het hele spoor zo slecht, dat er niet harder gereden kan worden. Af en toe leek het wel of de trein uit de rails rammelde. De trein is elke dag (hij rijdt eenmaal per dag het traject Fairbanks-Anchorage) een uur te laat. Ze kunnen dus beter de dienstregeling aanpassen.

Maar nu. Wie wil ons een auto verhuren en ons ook nog komen afhalen van het station? In de stationshal in Anchorage staan we uitgebreid onbeholpen te doen. Dat helpt echt. Er wordt ons een paar keer gevraagd: 'what is the problem' Helaas kan niemand ons helpen. Tot we een juffrouw van een reisbureau tegen het lijf lopen. Die hoort ons aan, en zegt achteloos: dan moet je Thrifty bellen. Die komen je halen en zijn niet duur.

En inderdaad: Thrifty komt ons halen. Om half elf staan we in hun kantoor, waar op dat moment nog goede zaken worden gedaan. We huren de kleinste auto die ze hebben, een Mercury Lynx (is een soort Ford).

We doen boodschappen in een supermarkt die 24 uur per dag open is en rijden vervolgens richting Kenai. Bij kijken even bij Potters' Marsh, maar het is te donker om veel te kunnen onderscheiden.

We rijden langs een camping, maar die is vol. We slaan een zijweg in, zoeken naar een plek om de tent op te zetten. Overal is het 'of te hobbelig, of te steil 'of 'solid rock'.

Het wordt hier al aardig donker 's nachts, en dat maakt het zoeken niet eenvoudiger. We slaan een zijwel in van de zijweg. Bar slecht berijdbaar. Tot onze verbazing staan er aan het eind van de weg op een groot parkeerterrein wel een stuk of tien auto's. Het is het begin van een wandelroute. Als we staan te overleggen worden we aangesproken door een behulpzame Amerikaan. Ons probleem is voor hem niet geheel te bevatten. Hij denkt dat we aan een vierkante meter vlak terrein genoeg hebben om de tent neer te zetten. Hij neemt ons mee naar zijn huis en biedt ons zijn parkeerplaats aan. Die is helaas net aangelegd en ligt vol met scherpe stenen. We mogen ook nog in zijn grassige voortuin gaan staan. Het gras groeit op een laagje grond van 1 cm; daaronder is het solid rock. Bovendien is het veel te klein.

Het is om wanhopig van te worden. Het is inmiddels half vier. We rijden naar een steengroeve die we een eindje terug hebben gezien. Daar zetten we de auto recht neer, klappen de achterbank naar voren en vouwen ons op zodat we achterin de auto passen.

Vrijdag 4 juli

Op 'een of andere manier is toch gelukt om een paar uur te slapen. Ik hoop dat niemand het heeft gezien, want het moet een waanzinnig gezicht zijn geweest zoals wij achterin de auto lagen. Af en toe werd 'een van ons wakker met een gevoel alsof hij in een sardineblikje had gezeten. Om half tien staan we op.

We rijden naar het grote parkeerterrein en ontbijten daar. Het is er druk met mensen die in de bergen gaan lopen. we worden aangesproken door een katholieke geestelijke van een jaar of zestig, die wandelaars heeft weggebracht. Hij kan zelf niet meegaan, want hij draagt al twintig jaar alleen sandalen aan blote voeten. Zijn parochianen hebben hem ervan weten te overtuigen dat hij daarmee niet door sneeuw en ijs kan lopen.

Wij lopen naar een verlaten goudmijn. Er staat een imposant bordje bij dat iets meedeelt over 'antiquities' en 'historical point'. Wij vinden dat flauwekul. Er liggen een uit elkaar gevallen stoommachine, onderdelen van mijnbouwgereedschap en wat verspreide spoorrails. Je mag er niets van beschadigen! In onze ogen is het gewoon een zoodje oud roest.

Overigens is het onvoorstelbaar dat mensen aan het begin van deze eeuw de moeite hebben genomen om al dat zware materieel de berg op te slepen.

Na het bezichtigen van dit historische punt gaan we meteen weer omlaag. Hoger lopen heeft geen zin vanwege de laaghangende bewolking. Bovendien willen we vandaag naar de kust.

Zolang we in het Chugach National Forest zijn is het somber weer. Maar daar staat het om bekend. Een kilometer of dertig oostelijker is het alweer zonnig, en de rest van de dag is het schitterend weer. De weg naar Kenai loopt eerst door bergen en vervolgens door de vlakte. In dit gebied liggen rivieren vol zalm, en we zien dan ook honderden vissers. Waren het maar zalmen. Hoewel het vandaag nationale feestdag is (onafhankelijkheidsdag) zijn de meeste winkels gewoon open ('if it's business...

In Soldotna buigen we af naar het noorden. We rijden via Kenai naar het einde van de weg. We komen uit in het Captain Cook State Recreation Terrain. We gaan op de camping staan die erbij hoort. Camping houdt in: een stenige staanplaats voor een motorhome, een picnictafel en een vuurplaats met bankje. De kosten zijn nihil. Het is natuurlijk niet echt een geschikte plaats om een tent met 45 haringen op te zetten. Ruud timmert bij iedere scheerlijn een spijker de grond in en vervangt deze vervolgens door een haring. Onze aluminium haringen zijn reeds in een vergevorderd stadium van kromheid. Om het grondzeil te beschermen hebben we er een bedje van gras onder gelegd.

Als we nog eens in Amerika gaan kamperen, wil ik wel een aangepaste tent (opmerking van Ruud: met hook-up en generator zeker?). De meeste Amerikaanse tenten hebben soms twee, vaak vier en een enkele keer acht haringen. Ik heb het meegemaakt in Denali, dat er een jongen aan kwam fietsen met twee pakjes. Tien minuten later had hij twee tenten opgezet, een grote en een kleintje. Alletwee met maar twee grote haringen, die hij met geweld de grond in timmerde. Voor ons winderige Nederland zou het niet geschikt zijn, maar hier gaat het prima.

Tot de voorzieningen van de camping behoren twee chemische toiletten per geslacht en een pomp met drinkwater.

Als de tent staat gaan we naar een lezing over beren, georganiseerd door 'Alaska State Parks', de overheidsinstelling die het park beheert.

Daarna eten we. Ruud maakt een kampvuur van de houtblokken die we uitgereikt hebben gekregen. Tot besluit van de dag drinken we een kopje chocolademelk.

Zaterdag 5 juli

De zon schijnt, er waait een lekker fris windje. Na het ontbijt stappen we in de auto om de omgeving af te speuren. De hele noordwestelijke kuststrook van het Kenai schiereiland is particulier eigendom. De grond is opgedeeld in percelen van ongeveer een acre. Er zijn veel wegen aangelegd en overal staan bordjes van makelaars in onroerend goed.

Een paar kilometer van de kust is de grond staatseigendom. Er is veel ongerept bos, mooie meren en rivieren.

We drinken uitvoerig koffie op een picknickterrein aan de oever van een meer. We hebben in Anchorage een gallon drinkwater gekocht in een plastic container. Die vullen we steeds bij, zodat we niet meer met pannetjes hoeven slepen en ook niet meer alle drinkwater hoeven te koken.

Laat in de middag gaan we barbecuen op een picknickplaats aan zee, vlak bij de camping. We hebhen voor vijf dollar een T-bone steak van bijna twee kilo gekocht. Dat is geen geld, horen we later. En naar mijn idee was het prima kwaliteit vlees. Ik snij het in repen en marineer het in een pepersausje. Heerlijk!

Na het eten gaan we nog even naar Lost Lake, maar we zien niet veel bijzonders. We rijden over een pas aangelegde weg die over leemgrond loopt. De auto wordt van dit kleine ritje van binnen en van buiten bijzonder stoffig! Omdat de zon mooi ondergaat rijden we nog even naar de picknickplaats aan zee. We maken wat foto's en praten met een Zwitser, werkzaam bij Swissair in New York.

Hij was niet zo onder de indruk van het technische kunnen van de Amerikanen. Op onze opmerking dat ze bijvoorbeeld toch maar mensen naar de maan hebben gestuurd, zei hij dat er op een bevolking van 273 miljoen mensen altijd wel een paar slimmerds zijn. De rest loopt daar dan wel achteraan. Wat wij op andere plaatsen in Alaska al gehoord hadden, namelijk dat kapotte apparaten, auto's e.d. gewoon worden weggegooid, klopt wel. De klasse van de vakbekwame handwerkslieden ontbreekt vrijwel geheel. Als er iets kapot gaat probeer je het zelf te repareren, en als dat niet gaat dank je het af. De mentaliteit van de verkopers is: I sell you something, and if it doesn't work, I sell you another one.

Ook vond hij het uiteenvallen van de maatschappij duidelijk merkbaar. De mensen verhuizen erg vaak, en hebben geen familie- of andere banden in hun woonplaats. Tegen zo'n achtergrond is het misschien niet verwonderlijk dat de Amerikanen zich met zijn allen achter hun president scharen en achter hun land. Ook klampen veel mensen zich vast aan een van de zeer vele religieuze genootschappen die een bloeiend bestaan leiden. Op de weg van Soldotna naar Captain Cook (64 km) staan tientallen kerkgebouwtjes.

Om een uur of een zijn we weer bij de tent terug. Ruud stookt nog gauw even een vuurtje. We drinken een kopje Swiss Miss en eten er een donutje bij. Om twee uur gaan we slapen.

Wetenswaardigheidje: benzine getankt, ca. 10 gallon voor tien dollar. Dit is 1 dollar per gallon f 2,50 voor 3,8 liter f 0,75/liter.

Zondag 6 juli

Er valt regen uit een egaal grijze lucht. We staan dus nog rustiger op dan gewoonlijk. Na het ontbijt pakken we de natte tent in. We leggen hem op de hoedenplank. Toch wel handig, zo'n huurauto. De houtblokken die we gisteren hebben gekregen nemen we mee voor als we zalm gaan roosteren.

Om half twaalf rijden we weg. We kijken wat rond in de plaats Kenai, maar door het sombere weer ziet het er niet erg aantrekkelijk uit. Bij het vliegveld van Kenai gaat Ruud nog wat luchtvaartkaarten versieren. We hoeven er nu nog maar een paar te hebben.

Vlak bij het vliegveld loopt een - vrij slechte - weg het gebied in. Hij ligt in een mooi landschap: uitgestrekte open taiga. We rijden de weg een eind af, drinken koffie en gaan weer naar de grote weg.

In Soldotna doen we boodschappen in een grote supermarkt die, zoals de meeste winkels, op zondag open is. In veel winkels staan grote tonnen waaruit je levensmiddelen en snoepgoed per gewicht kunt kopen. Als we zo'n winkel binnenkomen rent Ruud naar de tonnen en ga ik boodschappen doen. Later treffen wij elkaar weer, en dan hoor ik altijd enthousiaste verhalen over wat hij nu weer heeft geproefd....

Bij mijlpaal 84 slaan we af naar de Swanson River Road, een 28 km lange zijweg. Langs deze weg zijn veel plaatsen waar je een kano te water kunt laten om een grote kanotocht te maken.

We zetten de tent op aan het Rainbow Lake, op een campground met maar drie plaatsjes. Er is wel een pomp. Het is inmiddels gelukkig droog geworden. We eten stamppot summerseason boerekool + melkpoeder + aardappelpuree + saus voor gehaktschotel + worstjes. Yoghurt toe.

We lopen een eindje langs het meer, maar daar worden we dermate nat van dat we weer teruggaan. We stappen in de auto en rijden heel rustig de weg verder af. Af en toe lopen we een stukje.

Om ongeveer half twee zijn we weer terug bij de tent. Ruud stookt het vuur nog even op, ik maak een kopje Swiss Miss, en om een uur of twee gaan we naar bed.

Als we een poos hebben geslapen word ik wakker van een merkwaardig geluid. Oeoeoehoeoe. Ik zak weer weg. Wordt weer wakker van het geoehoe. In de verte klinkt antwoord. Ik ken het geluid niet, maar heb een vermoeden. Ik maak Ruud wakker. 'Ruud, is dat het geluid van een Oehoe?' Ruud herkent het geluid meteen. Ja, het is een Oehoe, maar hij klinkt wel erg hard en erg dichtbij. We steken onze hoofden uit de tent en ja hoor, op twintig meter van de tent zit het beest in een berk te roepen. Als hij ons ziet verkast hij naar een andere boom (nog dichterbij). Hij is kennelijk van mening dat hij genoeg heeft geoehoed vannacht, we horen hem tenminste niet meer.

maandag 7 juli

Rustig weer vandaag. Veel laaghangende bewolking en af en toe een bui. we rijden nogmaals de weg een eind af en gaan hier en daar lopen. Daar zijn we de hele dag wel mee bezig.

's Avonds eten we uiensoep, macaroni + tomatensaus + ham, overheerlijke rijpe netmeloen toe.

Dinsdag 8 juli

We staan vroeg op (nou ja, om acht uur).

We rijden naar Seward. Het landschap is fraai: vlakke taiga, stukken hoog opgaand bos, bergachtiger naarmate we dichter bij Seward komen. In Sterling proberen we bij een bank geld te halen op onze credit card. Ruud overlegt zijn credit card en rijbewijs, vult papieren in en wacht een half uur. Tot zijn ergernis krijgt hij geen geld. De bank moet namelijk eerst bellen met het hoofdkantoor in New York, en dat is momenteel - wegens het tijdsverschil - gesloten. Afijn, het bankpersoneel zal alles in orde maken, dan ligt morgen bij het filiaal in Seward het geld klaar.

In Seward gaan we naar een andere bank. Daar horen we hetzelfde verhaal, alleen moeten die met Duitsland bellen. En daar is het drie uur 's nachts. Er zit dus niets anders op dan tot morgen te wachten. In Seward kijken we even rond in de haven. Er ligt een vissersboot heilbot uit te laden. De heilbot komt uit de buurt van Dutch Harbor. De visserij stelt hier niet veel voor.

Seward heeft veel vierkante meters grond als camping ingericht. De enige particuliere camping is een dermate grote gribus dat we daar niet naartoe gaan. Je mag ook langs het water van de Resurrection Bay je tent opzetten. Daar komt veel verkeer langs en het is er wel erg rustig, dus dat doen we ook niet. Aan de overkant van de baai ligt aan het water een lap grond die ons wel wat lijkt. We rijden er naartoe. De bodem is zanderig, het opzetten van de tent een feest. Er zijn wel WC's maar er is geen water. Dat 'lenen' we bij een van de grote kampeerbussen die hier staan.

Woensdag 9 juli

Seward staat bekend om zijn koele en natte zomers. Vandaag is het echter heel mooi weer. We weten nog niet of we hier vanavond weer gaan staan en breken de tent dus op. Eigenlijk willen we vanavond naar een camping met douches + wasserette.

We rijden eerst naar Seward (wat zouden we moeten beginnen zonder auto). Eerst naar de bank. Daar ligt inderdaad tweehonderd dollar voor ons klaar. Keurig geregeld.

Dan naar het havenkantoor. KLM gebeld om onze terugreis te herbevestigen. Autoverhuur gebeld om de autohuur te verlengen tot 16 juli en 10 procent korting te bedingen vanwege een advertentie in de Milepost + bezit credit card.

Bij het kantoor van Quest Charters geven we ons op voor een boottocht. De kosten zijn 65 dollar per persoon voor 12 uur varen. We vragen nog wat het kost om ons ergens onderweg af te laten zetten en later op te laten halen, maar dat kost 110 dollar per persoon en vijftig dollar extra als het met een rubber boot moet gebeuren. Doen we dus niet. We kunnen ook nog gaan zeekajakken. Maar ik hou niet van kanoŽn, we hebben geen enkele ervaring in het op zee zitten in een klein frutskajakje, en ook dat is duur.

Vanuit Seward is het maar een paar mijl rijden naar de Exit Glacier Road. Aan het eind van die weg, zetten we de auto neer. De laatste anderhalve mijl van de weg zijn afgesloten voor alle verkeer. Seward is druk bezig zijn toeristische mogelijkheden verder te ontwikkelen, en wil de weg naar de gletsjer geschikt maken voor het ontvangen van grote aantallen auto's. Ruud houdt het lopen al snel voor gezien en steekt zijn duim op. Een pickup neemt ons mee.

Ook hier is een bezoekerscentrum. We kijken er even en gaan dan naar het Harding Icefield lopen. Een pittige klim mag ik wel zeggen, maar zeer de moeite waard. Boven hebben we een schitterend uitzicht. Het ijsveld is het sneeuwdepot voor een groot aantal gletsjers. Zon en sneeuw vormen een oogverblindende combinatie. Ik ga lekker in de zon liggen genieten van het uitzicht, Ruud loopt nog een eindje verder naar boven.

Zoals gebruikelijk is de wandeling omlaag geen kleinigheid. Iedere stap is een aanzienlijke belasting voor de toch al bibberige knieŽn.

Om een uur of acht zijn we weer bij de auto. We rijden nog naar twee campings, maar die zijn uitsluitend bestemd voor stacaravans. En 'een ervan is nog erg smerig ook. We gaan dus maar weer naar de plaats waar we afgelopen nacht ook hebben gestaan.

We eten lintmacaroni met een blikje tonijn in saus erbij, vruchten en chocolademelk toe. Om ongeveer twaalf uur gaan we slapen.

Donderdag 10 juli

Het is nauwelijks te geloven, maar ook vandaag is het prachtig weer. We staan om kwart over zes op. We ruimen de tent leeg, maar laten hem wel staan. Na het ontbijt (havermout met thee) rijden we naar de haven. Om kwart voor mogen we aan boord van de Pacific Star. We gaan onmiddellijk op het voordek staan, een mooie plaats die we de rest van de dag niet meer afstaan.

Meteen na het vertrek zien we al een zeeotter. De kapitein weet wat zijn passagiers willen, en gaat er vlakbij liggen. De zeeotter ligt ontspannen op zijn rug een oestertje op te peuzelen. Af en toe maakt hij een draai om zijn as. wij kijken naar hem, en hij kijkt heel rustig terug.

Na ongeveer drie kwartier varen worden er twee bultruggen ontdekt. De boot vaart er meteen op af. We zien de walvissen van heel dichtbij, een magnifiek gezicht. Ze foerageren in ondiep water vlak langs de oever en komen dus vaak boven. Elke keer vaart de schipper er naartoe (nog drie andere boten ook trouwens). Het zijn een moeder met jong, en vooral het jong maakt er een show van. Het springt uit het water, duikt in het rond, klapt met zijn staart op het water. We krijgen wel een uur de tijd om de walvissen te kijken.

Na weer een half uur varen zien we 'porpoises I (Dall-bruinvis). Dat zijn een soort dolfijnen die als scheermessen door het water klieven. Ze hebben een sportieve stijl van jagen. De boot negeren ze gewoon, dat is geen partij voor ze.

Vervolgens komen we bij een zeeleeuwenkolonie. Die trekken zich ook weinig van ons aan, beginnen alleen af en toe te roepen. De zeeleeuwen liggen in groepen op de rotsen, steeds een stier met een harem. De stieren zijn groot, de vrouwtjes veel kleiner.

We varen langs twee gletsjers: de Bear Glacier, die met een breed front uitmondt in zee en de Holgate Glacier de spectaculairste. die ook in zee uitkomt. We varen er tamelijk dicht naartoe. Er vallen voortdurend met donderend geraas brokken ijs in het water. De kapitein verzekert ons dat we geen 'Titanic' zullen worden. Hij blijft op veilige afstand.

Als we van de boottocht terugkomen kijken we nog even bij een oude zeilboot. Wij willen graag weten waar het schip vandaan komt. Er zit iemand aan dek die vertelt dat het een van oorsprong Griekse schoener is, gebouwd in 1964, die na veel omzwervingen in Alaska terecht is gekomen. De eigenaar is bezig het schip helemaal op te knappen. We worden uitgenodigd om aan boord te komen, een pilsje te drinken en een hamburger mee te eten. We eten brood, hamburger, sla en andere groenten, kaas, chips. Koffie met een wel erg dunne joint toe. De laatste hebben wij maar voorbij laten gaan.

We bekijken de boot van boven tot onder. Chet en Suzie, de bewoners (niet eigenaars) van de 'Espadon' (klievend zwaard) gaan met liefhebbers zeilen op zee. Volgens mij is daar echt wel belangstelling voor, maar dan moeten ze toch nog wel het een en ander opknappen. Bij de afdaling naar het toilet bijvoorbeeld kun je gruwelijk verongelukken. Hoe langer ik rondkijk, hoe meer ik het idee krijg dat het onbegonnen werk is. Als ze ooit nog eens zo ver komen dat de restauratie rond is, is wat ze het eerst hebben gedaan alweer verwaarloosd.

Chet en Suzie zijn typisch van die Alaskaanse mensen die er maar een beetje op los leven. ze hebben op Nunivak gewoond, waar Suzie les gaf en Chet werkeloos was. Nu wonen ze in Seward. Suzie geeft weer les en Chet is nog steeds werkeloos. Ze woonden eerst in een huis zonder stromend water, toilet of iets dergelijks, dat echter niets kostte. Nu wonen ze voor niets op de boot.

Om een uur of negen gaan we weer naar de tent. Het weer is nog steeds erg zomers. Muggen zijn er niet, wel knutjes. Ruud maakt een vuurtje, we drinken er een pilsje bij (voor 'een dollar twee blikjes gekocht van een medekampeerder). We eten er een hot dogje bij.

Om twaalf uur gaan we naar bed.

Vrijdag 11 juli

We staan tijdig op. Dit moet een record zijn voor Seward, drie dagen mooi weer achter elkaar! We ontbijten en breken op. Het kamperen kostte vier dollar per nacht. Afzetterij!

We gaan eerst douchen bij het havenkantoor. Dat kost 0,75 dollar voor vijf minuten. Het lijkt meer op een waterstraalbehandeling dan op een douche, we worden er erg schoon van.

Daarna gaan we met onze vuile was naar de wasserette. Alles kan in een wasmachine, kost 1.80 dollar. Echt fris en schoon komen de kleren er niet uit. Vooral de sokken hebben nog wel iets meer nodig. Maar goed - alles is weer eens gewassen. Daarna gaan de kleren in de droogtrommel. Na een half uur heb ik er genoeg van. Hoewel nog niet alles kurkdroog is vouw ik het toch maar op. Het is mooi weer, de rest droogt wel achter in de auto.

Als afscheid van Seward eten we nog een ijsje. Nou ja, ijsje. We gaan een winkel binnen waar ze ijs verkopen. De juffrouw noemt een hele trits smaken op, ik besluit een cocosijsje te nemen. De juffrouw begint - buiten mijn gezichtsveld - te scheppen. Ze vraagt: wilt u voor een halve of voor een hele dollar. Ik roep meteen: voor een hele. En daar krijg ik een complete gletsjer voor. Ruud neemt voor een dollar een lading verschillende smaken. Als we buiten het ijsje zitten te eten mompelt een voorbijganger tersluiks: 'this will slow you down seriously'.

We verlaten Seward, richting Anchorage. In Moose slijpt Ruud zijn zakmes bij een waterrad met slijpsteen (de foto is helaas niet helemaal gelukt). Bij Portage slaan we de weg naar de Portage Glacier in. Daar staat een spiksplinternieuw bezoekerscentrum dat alles slaat wat wij op dat gebied hebben gezien. Hal, zaaltjes, uitlegborden en een grote filmzaal. Er wordt een film over gletsjers getoond, die gaan we zien. Het centrum staat half in een langgerekt meer waar aan de overkant de gletsjer in uitkomt. De filmzaal heeft een glazen wand waardoor je ijsbergen die van de gletsjer zijn afgekalfd in het meer ziet drijven. Er komt iemand een inleidend verhaaltje afsteken, de gordijnen gaan dicht, er rolt een projectiescherm naar beneden, en de film begint. Als de film is afgelopen gaan de gordijnen over en je zit weer tegen het prachtige uitzicht aan te kijken. Verbijsterend.

Het is wel te hopen dat de gletsjer zich niet veel verder terugtrekt, want dan kun je hem vanuit het bezoekerscentrum niet meer zien. Er is nu al een telescoop voor nodig.

We zetten de tent op in een vlak gebiedje, iets van de weg af. We moeten eerst over een rivier springen om er te kunnen komen. De bodem is zanderig, dus de tent staat in een paar minuten. We eten uiensoep, hutspot, yoghurt. We maken een avondwandelingetje, maar doordat het zo drassig is komen we niet ver. we drinken nog een kopje Swiss Miss en gaan dan slapen.

zaterdag 12 juli

Als we opstaan regent het een beetje. Later gaat het echt regenen, maar dan zijn wij alweer onderweg met de auto. We ontbijten en drinken koffie bij Potters' Marsh.

We rijden door Anchorage, op zoek naar het hoofdkantoor van 'Alaska State Parks'. Dat is op zaterdag gesloten, dus we kunnen niet de boeken kopen die we nog graag willen hebben. Bij Merril Field, het vliegveld voor kleine vliegtuigjes, krijgt Ruud een hele stapel luchtvaartkaarten. We missen er nu nog een.

Ten noorden van Anchorage raken we in een projectontwikkelaarsgebied verzeild. Alle grond is verdeeld in een, twee of meer acre lots. (Er gaat 2,5 acre in een hectare.) Veel huizen en stukken grond staan alweer te koop. Door de dalende olieprijzen kunnen de mensen hun hypotheek vaak niet meer bekostigen. Verder wil de overheid in dit deel van Alaska de landbouw bevorderen. Daarvoor wordt veel bos gekapt en worden nieuwe wegen afgelegd. We zoeken langdurig naar een plekje om de tent op te zetten, maar dat lukt niet erg. Vrijwel alle grond is prive-eigendom en de rest is te klein of niet vlak genoeg. We besluiten uiteindelijk maar op een open plek te gaan staan waar bomen gekapt en verzaagd zijn. In razend tempo (regen) zetten we de tent op in decimeters dik zaagsel. We koken eten in de tent: rijst met kip in saus, een blik vruchtjes toe. We drinken traditiegetrouw een kopje Swiss Miss en gaan dan slapen.

Zondag 13 juli

Na een goede nachtrust staan we om negen uur op. Het regent, dus we zitten alweer met een natte tent. We ontbijten in de auto.

We verlaten het acre-lot gebied, en rijden linea recta naar de Hatcher Pass Road. Een landschappelijk zeer fraai gelegen weg met veel beveractiviteiten. Onderweg zien we in een rivier een zalmval waarbij iemand aan het werk is. We gaan kijken. De langstrekkende zalmen worden hier opgevangen, gemerkt en weer losgelaten. Terwijl wij staan te kijken komen er drie in de val. 'They taste good', zou Steve zeggen. De overheidsdienaar die zich hiermee bezig houdt doet dit werk in de zomer. 's Winters laat hij zich met zijn vrouw naar hun buitenverblijf (vijf acre-lot) vliegen. Om te jagen, sneeuwscooteren, enz. Ze hebben een grappige hond die verzot is op het verzamelen van stenen.

De Hatcher Pass Road is aangelegd voor en door goudzoekers. Hier en daar zie je dan ook mijnen in de bergen. We gaan naar een oud mijnwerkersdorp en zoeken in een afvalberg naar stenen waarin het goud glinstert. Zal wel pyriet zijn.

Het - verlaten - dorp is ingericht als museum. Veel van de gebouwen zijn ingestort. Het is wel de bedoeling om ze te restaureren, maar dat lijkt ons onbegonnen werk. Als de herstelwerkzaamheden op korte termijn in het groot zouden worden aangepakt, zou er iets schitterends van kunnen worden gemaakt. maar terwijl ze aan de ene kant huizen opknappen, storten ze aan de andere kant steeds verder in. zonde.

De Hatcher Pass Road is 80 km lang en komt uit op de Glenn Highway, de snelweg tussen Anchorage en Valdez. Het weer knapt zienderogen op, we zien zelf s af en toe de zon. Op de Matanuska campground vinden we een mooi plekje voor de tent. Zachte grond! We drinken een pilsje, eten (groente/ paprikasoep, chili uit blik, Swiss Miss toe).

Aan het eind van de avond begint het weer te regenen, dus we gaan maar slapen. Het is trouwens al elf uur.

Maandag 14 juli

Ik heb vannacht niet best geslapen. Het motregende, en omdat we onder een boom stonden, vielen er voortdurend met een klap druppels van de takken op de tent!

Als we opstaan is het gelukkig mooi weer. We maken de tent leeg (laten hem wel staan) en rijden naar de Matanuska-gletsjer. Voor 2 x 4.75 dollar mogen we er met de auto naartoe rijden. over een prive-weg, dus dat het geld kost is nog wel te rechtvaardigen. Bij de gletsjer drinken we koffie. Vervolgens gaan we er een beetje rondneuzen.

Er staat een bordje dat bezoekers aanbeveelt kinderen en honden aan de lijn te houden. Het betreden van de gletsjer kan gevaarlijk zijn en geschiedt uiteraard - geheel op eigen verantwoording. Toch zijn er mensen die er redelijk onbevangen op rondstruinen. Dat zou ik ook wel willen, maar Ruud bezweert mij het niet te doen. Hij heeft gelijk, het is gevaarlijk.

Wij begeven ons alleen op het zwarte ijs. Dat bestaat uit laagjes sneeuw, ijs en modder. Verder is er wit/witblauw ijs en groen ijs. Dat laatste is ijs, bedekt met grond en begroeid met mos. Ik ben gek op gletsjers, dus ik amuseer me kostelijk.

's Middags rijden we de Glenn Highway een eind af. We eten in de Eureka Lodge. Hamburger met french fries. Wij veronderstellen dat laatste dat patat is. Is ook zo, alleen donkerbruin en dus niet lekker. Rare jongens, die Amerikaanse koks. We drinken er veel koffie bij en eten een stuk cocostaart toe.

Gelezen in de Lodge:

Alaska, where the mosquitos are made at Boeing Aircraft

Het landschap aan weerszijde is prachtig. Heuvels, bergen, toendra en taiga. We maken nog een wandeling, maar het is er zo nat en mugrijk dat het een verwoestende invloed heeft op mijn humeur.

We rijden terug richting camping. Tussen mijlpaal 118 en 119 slaan we een zijweg in die naar een zendmast leidt. Er zitten veel vogels op de meren aan weerszijde van de weg. We zetten de auto neer en gaan rustig zitten kijken. Opeens horen we een luid geplas en gestamp: er steekt met veel lawaai een bever de weg over. Dat is voor sommigen van ons toch iets teveel. De vogels vliegen weg en wij schrikken ons een hoedje (de bever misschien ook wel).

Vrij laat zijn we terug bij de tent. Een echtpaar met een kind kampeert op enkele tientallen meters afstand van onze tent. Ze kruipen met z'n drieŽn in een heel klein tentje. Dat is een heel komisch gezicht. Als ze zich bewegen zie je allerlei bulten in de tent komen.

We eten stamppot summer season groentefantasie + mix voor gehaktschotel + aardappelpuree + melkpoeder. Om een uur of twaalf gaan we slapen.

Dinsdag 15 juli

Het is mooi weer. We rijden richting Anchorage. Hier en daar kijken we over de rivier.

In Palmer kopen we een paar mooie boeken over Alaska en we bezoeken er het museum voor transport. Typisch Alaskaans museum. Vliegtuigen (al dan niet oud), auto's (idem) en treinen zijn er op een groot terrein neergezet. Verder wordt er dan niet meer naar omgekeken.

Het is vakantietijd in Amerika, en dat is op de weg wel te merken. We zien de meest waanzinnige combinaties, bijvoorbeeld een motorhome + personenauto erachter met kano op dak, pick-ups met 'een, twee of drie-assige motorhometrailers er achter, motorhomes die wel veertien meter lang zijn, prachtige airstreamcaravans (net vliegtuigen waar de vleugels afgehaald zijn). voor de Amerikanen is vrijheid het hoogste goed, maar ze houden zich toch heel goed aan de regels. Dat merk je vooral op de weg. Iedereen houdt zich vrij aardig aan de maximum snelheid (55 mijl/uur = 90 km/uur). Een verademing gewoon! In vrijwel alle openbare ruimtes staan bordjes 'Verboden te roken', en niemand steekt daar dan een sigaret op.

Om ongeveer half vier arriveren we op de Eagle River Campground. Net op tijd, want de camping stroomt snel vol. We zetten vlug de tent op (spijkermethode) want het begint te regenen. Ik ga op zoek naar water. Ik vraag aan iemand waar de kraan is. Die is wel een kwart mijl weg! waarschuwt mijn informant. Ik ga er uiteraard lopend naartoe, hetgeen kennelijk niet gebruikelijk is.

Als laatste excursie in Alaska gaan we naar het Eagle River bezoekerscentrum. Daar kun je allerlei informatie krijgen over het Chugach National Forest. Het centrum is wel gesloten, maar er is een (vrouwelijke) ranger die ons toch binnenlaat en het gezellig vindt om een praatje te maken. We gaan er nog een stukje wandelen in de hoop stekelvarkens te zien, maar helaas, het mag niet zo wezen.

Om half negen zijn we weer op de camping. We eten geschaafde aardappels + hutspotgroenten + een blikje vlees + saus. We onderbreken de maaltijd af en toe om naar wildwaterkanos te kijken. Lijkt mij een behoorlijk zware - en natte - sport.

Daarna gaan we ons voorbereiden op de reis naar huis. We pakken de rugzakken gedeeltelijk in en leggen schone kleren klaar. Ruud geeft het restje Blazo weg en maakt hier en daar een praatje. Een praatje maken als je op een camping iemand tegen het lijf loopt hoort er echt bij. Ik heb niet altijd zin in een praatje, en heb echt weleens moeite moeten doen om me er aan te onttrekken.

In zijn algemeenheid hebben de Amerikanen een aardige indruk bij ons achtergelaten. Het zijn vriendelijke, goedgeefse mensen. Het is een gek idee dat er heel wat rondlopen met schiettuig, maar van daadwerkelijk gebruik tenzij om te oefenen - hebben wij nooit iets gemerkt. Voor diefstal hoef je ook niet erg bang te zijn.

Woensdag 16 juli

Niet best geslapen. De rivier maakte een hoop lawaai en het regende een groot deel van de nacht. Normaal gesproken slaap ik wel door de regen heen, maar nu lag ik steeds te denken: straks zitten we met een natte tent...... En inderdaad. Bij het opstaan regent het nog steeds. Eerst halen we de tent leeg. Dan de binnentent onder de buitentent uit. Die kan in ieder geval droog de rugzak in. Dan de buitentent. We vouwen hem kletsnat op en pakken hem zorgvuldig in plastic, zodat het water er niet uit kan lopen.

Voor de tweede keer rijden wij in de regen door Anchorage. Net als andere steden ziet het er in de regen erg somber uit.

We hebben tijd genoeg om naar het kantoor van Alaska State Parks te rijden om een paar boeken te kopen.

Dan gaan we naar Thrifty. De auto ziet er gelukkig tamelijk toonbaar uit. We hebben hem gisteren afgespoeld en uitgezogen. Want zoals hij er na tien dagen stof en modder uitzag, durfden we hem niet terug te brengen. Onder de voorstoelen lag een centimeters dikke laag stof, modder en grind. Tussen de voor- en achterstoelen hebben tien dagen lang een paar blokken berkenhout gelegen, en die hadden ook hun sporen nagelaten.

We rekenen af (vergeten niet Thrifty op de 10% korting te wijzen) en laten ons naar het vliegveld brengen. Goede service!

Op het vliegveld leveren we meteen onze rugzakken in, maken alles voor de vliegreis in orde en gaan nog wat rondkijken bij de belastingvrije winkels. Elke dag worden er tussen tien en twee uur enkele jumbo-jet ladingen over het vliegveld uitgestort. Alle vliegtuigen die van Europa naar het Verre Oosten en omgekeerd vliegen, maken een stop in Anchorage, voornamelijk om van bemanning te wisselen. Vooral Japanners kopen nog dingen ook, in die waanzinnig dure belastingvrije winkels.

Vanwege de weddenschap met broer Theo zoeken wij tot op de bodem uit welke beren er op het vliegveld van Anchorage staan. Ze staan er alle drie: ijs-, zwarte en bruine beer.

Om twaalf uur stappen we in het vliegtuig, om half 'een stijgen we op. We kunnen helaas niet aan het raam zitten. Het vliegtuig komt uit Korea en zit voor ongeveer eenderde vol. De meeste passagiers hebben er dus al een dag opzitten. Ze doen de luiken dicht, spreiden zich uit over drie of vier stoelen en gaan onder zeil.

Wij krijgen eerst iets te drinken en daarna warm eten. Lintmacaroni, rundvlees, wortels/doperwten. Een slaatje, salade, boordje en pudding. Heerlijk.

Boven noord-oost Canada en Groenland is het helder. We posteren ons bij het raam in de achterdeur en kijken een poosje naar buiten. Ik kijk naar de film (Pale rider met Clint Eastwood in de hoofdrol).

Ik bedenk dat we niet veel geboren en getogen Alaskanen hebben ontmoet. De meeste inwoners van Alaska zijn afkomstig uit de 'lower 481. Ze zien het als een soort avontuur om in de wildernis te wonen. Alaska is immers de 'Last Frontier', zoals op elk nummerbord staat. Sommigen zijn het huifkarstadium nauwelijks te boven, en zien er niet tegenop om primitief te wonen, zonder stromend water, zonder elektriciteit of gas, en zonder riolering. Ze improviseren liever dan dat het ze iets kost.

Om zeven uur Is morgens stappen wij uit het vliegtuig. Er zijn maar weinig passagiers uit ons vliegtuig voor wie Amsterdam het eindpunt van hun reis is, dus de bagage hebben we snel.

Pa en moe zijn er om ons te verwelkomen. Voor hen is het Is morgens vroeg, maar wij hebben er al een hele dag opzitten.

Ze brengen ons naar de trein. Om kwart voor negen stappen we uit in Delft-Zuid. We nemen nog 'een keer de rugzakken op de rug. Door het warme weer en het pittige gewicht (natte tent + boeken, folders enz.) lopen we nog aardig te zweten.

Even over negen zijn we thuis. Het huis ziet er nog net zo uit als we het hebben achtergelaten, in de tuinen staat metershoog groen.

We gaan heerst onder de douche. Heerlijk..... Vervolgens zet ik koffie (hoe moet dat ook al weer?). We komen tot de conclusie dat we ondanks alle avonturen zeer heelhuids zijn teruggekomen. Ik heb drie pleisters gebruikt voor opengekrabde muggenbulten en Ruud heeft een keer een aspirine ingenomen om hoofdpijn te bestrijden.

De laatste vakantiedag gaan we lekker buiten in de zon zitten, om te wennen aan het tijdsverschil.