Reis naar het Midden-Oosten

OMAN

welkom in Ras Madrakah

22 februari - 11 maart 1995

Verslag van een vakantie naar Oman door:

Kitty en Ruud Kampf

Westeinde 69

1636 VC Schermerhorn

webmaster@rekel.nl

072 - 502998


Woensdag 22 februari 1995

Na een paar buitengewoon drukke dagen eindelijk de verlossende handeling: het vertrek. Ruud brengt mij en de bagage naar de bushalte. Hij rijdt terug naar huis en komt lopend eveneens naar de bus. Het schema ziet er als volgt uit:

Op Schiphol kopen we twee halve liters jenever (voor noodgevallen) en wisselen guldens voor Omaanse rials. De koers is 4,20 gulden = 1 rial. De lokettiste van het wisselkantoor heeft vrijwel elke valuta in voorraad, afkomstig van mensen uit het land zelf die guldens willen hebben.

Wij hebben een plaats aan het raam weten te bemachtigen, zij het in de afdeling roken. We starten in westelijke richting en vliegen over Vinkeveen en Utrecht. Daarna langs de Rijn over Duitsland. Daarna is er een stuk bewolkt, tot voorbij Wenen. We zien de besneeuwde Karpaten, Istanbul, West-Turkije met prachtige bergachtige landschappen. Om ongeveer 16.45 uur Nederlandse tijd gaat de zon onder, ongeveer boven Cyprus.

We maken een tussenlanding in Dhahran. Dat is Saoedi-ArabiŽ, dus zeer streng Islamitisch. Alle sporen van alcoholgebruik, zoals flesjes, blikjes en glazen worden opgehaald. De rest gaat achter slot en grendel. We gaan bij de achterdeur even een luchtje scheppen. Mag eigenlijk niet van de Saoedi’s. Het lege fust wordt in Dhahran uit het vliegtuig gehaald. Een ervaren midden-oostenreiziger moet niet veel van Saoedi-ArabiŽ hebben. Over de lege bierblikjes zegt hij: die staan ze straks uit te likken.

De aankomst in Muscat is plezierig. De douane kijkt vriendelijk, stempelt hier en daar en plakt nog wat zegeltjes. Na een kwartiertje krijgen we de koffers. In de hal is het een drukte van belang. Er komen en gaan op dit tijdstip nogal wat vliegtuigen. De huurauto staat al klaar.


Intermezzo:

We zijn van Muscat naar Salalah gevlogen,

per landrover weer terug gereden:

kaart van Oman


Donderdag 23 februari

Oman is een zeer eigenaardig land. Na ťťn dag kan ik dat al zeggen. Als je op de snelweg door de woestijn rijdt is het net CaliforniŽ. Brede wegen, moderne auto’s, spiksplinternieuw (uit Japan). Bij de bebouwing val je soms terug in de middeleeuwen. Het vliegtuig van Muscat is modern, in oosterse stijl gebouwd. Wij arriveren er om een uur of half 12 ‘s nachts (plaatselijke tijd) en het is er een drukte van belang. Het is er ook vlekkeloos schoon. Iemand is met een speciaal poetsapparaat bezig de marmeren vloer nog wat extra te polijsten. We regelen de auto en gaan op pad. De stad heeft op Amerikaanse leest geschoeide snelwegen. En wij kunnen het weten, want we hebben er veel van gezien. De autoverhuurder had ons uitgelegd waar het Mina-hotel was en hij had ons ook nog een kaart meegegeven. Helaas. De plaats die hij aanwees, daar klopte niets van en de kaart was uit 1983. En sinds die tijd is er veel bijgebouwd aan wegen en stadswijken. Ook hebben veel wegen een andere naam gekregen.

De wijk Ruwi hebben we zeer uitvoerig gezien. Vanzelfsprekend hebben we wel een paar keer gevraagd waar het Mina-hotel was. Maar ůf men wist het niet en zei maar wat, of men heeft geen concept van landkaarten, afstanden en dergelijke. Het was meer geluk dan wijsheid dat we het hotel ook daadwerkelijk bereikten. De autoverhuurder had iets uit zijn mond laten vallen over een fontein met vissen en terwijl we wanhopig rondreden zagen we opeens ... een fontein met vissen. En pal daarachter lag het hotel. Terwijl het toch zo eenvoudig was: het ligt aan de vissershaven van de wijk Mutrah. In het Mina-hotel wilde men ons - zij het niet van harte - nog wel binnenlaten en een kamer geven. Het sanitair was tweede wereld, het bed schoon. We hebben er maar een paar uur geslapen, want we zouden vroeg opstaan om nog wat van de stad te zien. Maar zelfs een ongestoorde nachtrust was ons niet gegund. Vlakbij het hotel stond een moskee waar om een uur of 6 werd opgeroepen tot gebed.

Ondanks het slaapgebrek zijn we maar opgestaan en hebben de boel gepakt. We laten een kopje thee op de kamer brengen. Tijdens de ramadan is tussen halfzeven ‘s morgens en half zeven ‘s avonds het restaurant gesloten. Er is alleen room service. Na de thee eerst naar ‘The Family Bookshop’. Gek word je van die aftandse landkaart. We hebben het adres van de boekwinkel, maar op de kaart hebben alleen de grote doorgaande wegen een naam. Ruud gaat het aan iemand vragen en die is zo vriendelijk voor ons uit te rijden. Hartelijk dank! De winkel is gelukkig de moeite waard.

Daarna willen we in Muskat naar het museum. Weer hetzelfde verhaal. Op de kaart staat het niet, men kan het ons niet uitleggen. Kortom, het lijkt spoorloos verdwenen. Bij het paleis van de sultan staat een man in een uitrit. Het is de beheerder van de waterzuivering van het paleis van de sultan. Hij klaagt dat de zuivering niet goed werkt. Ja, dat ruiken we zo ook wel. Ruud laat zijn deskundig oog er nog even over gaan. De Engelsen hebben de sultan een niet goed werkend systeem in de maag gesplitst. Ruud legt ons probleem voor. Ondanks zijn zorgen is de man zo vriendelijk op te bellen naar het museum. Helaas, het is gesloten.

Volgende adres: het Gulf Hotel. Hoe is het mogelijk, we rijden er zo naartoe. We maken afspraken over de huur van de Toyota LandCruiser in Salalah en verbazen ons over de luxe van het hotel. We hebben nog tijd om even aan het strand te kijken.

Om kwart voor 11, ruimschoots op tijd voor de vlucht van halfeen, gaan we naar het vliegveld. We zijn er even over elf uur. De autoverhuurder staat al bij de vertrekhal. Vlug, vlug, roept hij. Om half 12 gaat jullie vliegtuig. Dit is ons nog nooit overkomen! We hebben ons een uur vergist! We smijten de bagage door de veiligheid, lopen naar de balie van Oman Air en krijgen te horen dat we bij balie 21 moeten zijn. Die delen ons mee dat de balie al dicht is en dat we bij Oman Air moeten zijn. Die vragen wat rond en dan blijkt dat het vliegtuig al dicht is. Daar zitten we dan met ons goede gedrag. Doch het geluk is met ons. Om 4 uur gaat er nog een vlucht en daar kunnen we met mee. We worden zonder financiŽle consequenties overgeboekt. Hartelijk dank. En ... we mogen de auto nog een paar uur hebben, dus dan kunnen we nog wat doen. Nogmaals hartelijk dank. We gaan vogels kijken bij de waterzuivering. Geen slechte optie. Het afvalwater arriveert er per tankauto, wordt voorgezuiverd en stroomt dan naar lagunes. Dat trekt wel vogels aan.

Om 2 uur, dus dit maal zeer op tijd, zijn we weer op het vliegveld. Rustig gaan we door de veiligheid, kalm checken we in en op ons gemak gaan we op de bovenverdieping zitten lezen. Er is een enorme tax-free winkel. We kopen niets, dat moet maar wachten tot we weer naar huis gaan. Om kwart over 3 gaan we naar de vertrekhal en om halfvier lopen we naar het vliegtuig. Om tien voor 4 taxiŽn we weg. Het toestel zit lang niet vol. De passagiers zijn voornamelijk arabieren in djellabahs. Er zitten ook een paar geheel gesluierde vrouwen achterin. De oosterlingen zitten aan bakboord, de westerlingen aan stuurboord van het toestel. Tot onze verbazing krijgen de niet-gelovigen een maaltijd uitgereikt bestaande uit boterhammen. Men wil ons de vasten zeker niet opleggen. De vlucht duurt iets meer dan een uur. We vliegen evengoed naar een hoogte van 9 kilometer. We vliegen eerst over Salalah heen en maken dan een bocht van 180 graden. Om kwart over 5 landen we.

De autoverhuurder staat al te wachten. Het is een IndiŽr die ons in zijn moeilijk verstaanbaar Indiaas/Engels uitlegt dat je voorzichtig moet zijn in het verkeer, vooral tijdens de avondspits. Als het ramadan is willen de arabieren ‘s avonds zo snel mogelijk naar huis en dan nemen ze de verkeersregels niet zo erg in acht. Inderdaad, defensief rijden lijkt de beste tactiek. Terwijl Ruud de auto regelt koop ik voor 1 rial, is 4,20 een tropenjurkje. Tot het donker is gaan we aan het strand van Salalah zitten. Aan de Indische Oceaan wel te verstaan. Daarna gaan we naar het Hafar House Hotel. Duur maar goed. We nemen er een heerlijke maaltijd tot ons, bestaande uit gegrilde vis, patat en bloemkool. Ruud neemt ijs, ik neem fruit toe. De manager van het hotel komt een praatje maken.

Daarna lekker onder de douche, plannen maken voor morgen en slapen. In een bed. Geniet er nog maar eens van!


Vrijdag 24 februari

We trekken schone kleren aan, ontbijten op de kamer, pakken de spullen in de auto zeggen de ‘beschaving’ voorlopig vaarwel. We gaan eerst maar eens proberen aan brandstof te komen voor de brander. Dat valt niet mee. Sterker nog, het lukt gewoon niet. Er is geen loodvrije benzine te koop en geen Coleman Fuel. Men adviseert ons een gasje te kopen en vraagt daarvoor 60 gulden. Doen we dus niet.

Na deze enorme tijdverkwisting - maar dat weet je ook niet van tevoren - rijden we naar het oosten. We passeren bananen- en kokosplantages, de stallen van de sultan en komen dan in de woestijn. De eerste zandvlakte! De eerste dromedarissen! De eerste wadi! Het is wel een erg toeristische wadi. Er zijn plantsoenen en perken aangelegd met hekken erom. Helaas lopen er nogal wat geiten rond, die alle groen opeten waar ze bij kunnen. Zelfs een dor blaadje versmaden ze niet.

 

Bij het water in het midden van de tuinen zitten vrouwen en kinderen. Ze wassen zichzelf en hun keren. Een kleurig geheel. Ruud stuurt mij er op af om een foto te maken. Een van de jonge vrouwen geeft mij een hand en noemt haar naam. Ze spreekt een paar woorden Engels. Ik vraag of ik een foto mag nemen maar daar kan geen sprake van zijn. De vrouw is 23 jaar oud, getrouwd en heeft kinderen. Ze neemt me bij de hand en wil iets laten zien. Als ze Ruud ontwaart gaat ze gauw terug. Dan de andere kant op. Er komt een auto aan en ze vlucht achter een boom. Ze vindt het geloof ik onverantwoord dat ik me zo open en bloot laat zien.

Ik neem afscheid en ga terug naar Ruud. Toch wel met spijt. Wat wilde ze me laten zien? Haar huis (tent) of iets anders. Haar Engels was te gebrekkig om er achter te komen. We doen boodschappen in Taqah. Gisteren hebben we goed gegeten, vandaag moeten brood en water voldoende zijn. Het lijkt wel of we de gevangenis ingaan. Taqah is aan vervanging toe, zal men gedacht hebben. Oude huizen zijn verlaten of worden afgebroken. Nieuwe huizen worden gebouwd. Vaak staat er een moderne Japanner voor de deur. Vooral aan de zuidkant staan prachtige huizen. Met uitzicht over de oceaan. De rit eindigt bij Khawr Rouri, een brakwater meer. Tussen de Khawr en de oceaan ligt een dam van zand. Er zitten veel vogels. We zetten de tent op en maken een wandeling naar een rotsachtige heuvel die uit zee oprijst. Er zit een arabier op de rots. Wat zou hij hier doen? Spioneren? Bewaken? Hij steekt een heel verhaal tegen ons af, waarin de herkenbare woorden zijn: sultan, helikopter. Inderdaad is er een soort buitenhuis met een landingsplaats. Als de zon onder is gaan we terug naar de tent. We eten - water en brood - en gaan bijtijds naar bed. Het is warm. De grond is warm. De matjes isoleren maar even. De voorkant van de tent staat open maar dat heeft weinig zin want de wind valt weg. Ik voel jeuk. Zonder dat ik er iets van heb gemerkt men ik verschrikkelijk gestoken door de muggen. Als ik nu geen malaria krijg, krijg ik het nooit meer.


Zaterdag 25 februari

Vandaag zijn we 20 jaar getrouwd. We breken op en rijden verder naar het oosten. Volgens de papieren moet er een pad naar kust lopen, naar een hoge klif. We slaan af. Het is niet het goede pad, maar we komen wel uit bij een heel mooi plekje. Misschien is het iets voor vanavond. We rijden terug naar de weg en vinden nu wel het goede paadje. Het uitzicht is spectaculair. We nemen meteen de kans te baat om te eten. Na het ontbijt (water + brood) rijden we naar het noorden, de bergen in. Het eerste stukje is de weg nog asfalt, daarna zoals men dat noemt ‘graded’. Met onze 4WD goed te doen. We gaan op weg naar Tawi Attair. Geheel bij toeval treffen wij halverwege op een helling Piet Pepers aan. Hij heeft ons in Nederland informatie gegeven over Oman. Dit is de derde keer dat hij in dit land is, maar nog nooit was hij in het zuiden.

Als we verder rijden komen we bij een soort hoogvlakte, met (te veel) koeien en geiten. Het ziet er stoffig en armoedig uit. De traditionele bouwwijze is hier aan het verdwijnen: gestapelde stenen en rieten daken maken plaats voor beton en golfplaten. Er schijnt een goede reden voor te zijn. In de nieuwe materialen kunnen niet zo gemakkelijk slangen en dergelijke wegkruipen. In de middag rijden we naar Mirbat, een soort vissersplaats. Ook hier veel nieuwbouw. Ruud loopt over de markt terwijl ik de auto bewaak en me bezig houd met een stel zeer vrijpostige kinderen. Ik weet niet wat ze zeggen, maar af en toe worden ze door de ouderen tot de orde geroepen. Het zal dus wel niet veel fraais zijn. Mijn grote vriend is een jongetje van een jaar of vijf met een Amerikaans camouflagepakje aan. De broekspijpen zijn een paar keer omgeslagen. Hij ziet er in zijn overalletje heel anders uit dan de andere kinderen. Veel verzorgder. Hij doet ook niet mee aan de grappenmakerij maar blijft ernstig kijken terwijl ik hem in het Nederlands toespreek. Hij antwoordt gewoon in het Arabisch. Tot algemeen genoegen maakt Ruud een paar foto’s. Het straatbeeld wordt, net als overal, bepaald door mannen.

We komen langs een ‘bakery’. We vragen om ‘bread’. De man legt wat kadetjes op de toonbank. We schudden van nee. Hij houdt zijn handen circa 30 cm uit elkaar en kijkt ons vragend aan. We knikken van ja. Hij legt het brood op de toonbank, pakt een mes en begint het te snijden. Dat is dus 1 ambachtelijk gesneden brood. De bakker heeft een kwestie met een paar jongens van een jaar of twaalf. Hij heeft niet veel aandacht voor ons. Het lijkt erop dat een van de jongens recht heeft op wisselgeld, maar dat de bakker het alleen aan de rechtmatige eigenaar wil geven en dat die al weg is. In ieder geval, de sneden brood vallen vrij dik uit.

We zetten de tent op bij het mooie plekje van vanmorgen. In het zand. Dit vergt een nieuwe attitude: we gaan niet moeilijk doen over zandkorrels en de kleding, in de lakenzak en in de tent. We noemen deze plek het ‘krabbenstrand’. ‘s Nachts ritselen ze rond de tent. We staan misschien wel op hun holen.

 


Zondag 26 februari

We pakken de spullen in maar laten de tent nog even staan. Eerst een wandeling langs het strand en via een rotsige heuvel weer terug. Als we boven op de heuvel staan zien we dat er een badlaken naast de tent ligt. Er staan twee krabben op te dansen. Wat zouden die in gedachte hebben? Wraak? Knip, knip, knip? Bij Khawr Roury kijken we of zich nog veranderingen in de aanwezige vogels hebben voorgedaan. Kunnen we meteen even ontbijten. Water en brood met kaas. We gaan terug naar de weg en slaan af naar Wadi Darbat. Wadi Darbat is een soort hoogvlakte. Vanaf de weg zag het er uit als twee stuwdammen tussen drie heuvels. Als je erbovenop staat is het een vlak gebied dat aan de zuidelijke kant steil omlaag gaat. In de moessontijd, als er veel regen valt, schijnt zich zelfs een soort waterval naar beneden te storten.

Op het getekende kaartje staat dat de weg naar de Wadi alleen geschikt is voor 4WD’s, dus dat is al gauw een uitdaging. Overigens klopt de aanduiding wel. De weg gaat eerst steil om hoog en dan weer even steil omlaag, over een uitloper van de bergen heen. Als de weg weer vlak wordt stoppen we even om de omgeving in ogenschouw te nemen. Zo’n honderd meter naar rechts zien we een huisje met mensen erbij. Er komt een vrouw aanstuiven die iets roept dat we niet kunnen verstaan, maar waarvan de strekking duidelijk is: wegwezen. We rijden verder. Er loopt ook een man rond met geelachtig kroeshaar. Hij lijkt meer op een Australische aboriginal dan op een Arabier. Hij groet ons vriendelijk. Op de foto wil hij niet.Zoals op zoveel plaatsen waar relatief veel regen valt en dus veel groeit, is Wadi Darbat erg overbegraasd. Bij de rand van de vlakte zijn proefvelden aangelegd. Waar geen begrazing is, staat anderhalve meter hoog gras. Als er wel begrazing is zijn de bomen armetierig en is het gras tot op de wortels afgekauwd.

De rijkdom van de Dhofari, zoals het bergvolk heet dat hier woont, wordt afgemeten aan het vee dat ze bezitten. Hoe meer geiten, koeien en kamelen, hoe beter. En als alles is kaalgevreten kopen ze gewoon balen hooi. We blijven urenlang rondhangen. Het is een soort magische plaats. De vlakte, de vogels, de stilte. Een kudde kamelen holt voorbij, een (tochtig?) vrouwtje met jong achterna. Meestal zijn kamelen rustige en bedachtzame dieren. Deze hebben het zwaar te pakken.We rijden en lopen naar een enorme grot. Hier hebben al eeuwen en eeuwen lang Dhofari’s hun vee laten schuilen. Er ligt een dikke laag compost. De Dhofari zijn erg op zichzelf. In de jaren zestig hadden ze marxistische sympathieŽn. Met wapens uit de Sovjet-Unie hebben ze een opstand gevoerd tegen de toenmalige sultan. Die had nogal behoudende ideeŽn. Hij wilde het oliegeld niet in de economie pompen. Toen zijn zoon, de huidige sultan Qaboos, aan de macht kwam, veranderde er veel. Zijn moeder kwam uit Dhofar en daardoor kon hij de opstandeling tot bedaren brengen.

Om zes uur ‘s avonds staat de tent op het strand bij Khawr Rouri. Nu wat dichter bij zee en wat verder van het mugrijke water af. Evengoed zijn ze er wel. Ze zijn alleen van het zeer stiekeme type. Je hebt beslist niet in de gaten dat je gestoken wordt. Ruud is aan het snorkelen. Het is duidelijk dat je met flippers aan en een zwembril op niet meteen een walrus wordt.

 


Maandag 27 februari

‘s Morgens vroeg natuurlijk eerst maar weer de Khawr afgekeken. Daarna in Taqah naar de dump. We komen uit bij een plaats waar het heel eigenaardig ruikt. Op de grond uitgespreid liggen honderdduizenden sardientjes te drogen. Er lopen mannen en jongens rond om op te letten dat de vogels niet teveel stelen. Eerst lijkt het ons vreselijk als je de hele dag in die lucht zou moeten verblijven, maar na een minuut of tien ruik je het nauwelijks meer. Niet ver van de sardientjesdrogerij ligt de vuilnisbelt van Taqah. Er is vandaag nog niemand geweest. Er zitten veel meeuwen, kraaien en arenden. Hier hangt een heel andere lucht. Een deel van de belt ligt te smeulen. Wat verderop zien we kadavers liggen. Dat verklaart de weeÔg-zoete lucht van verrotting. Maar ja, de vogels vergoeden veel.

Het is een uur of 2. We zijn in Salalah, Salam Street. Ruud probeert weer brandstof te kopen, ik pas op de auto. Links stopt een Mercedes waar twee zwaar gesluierde vrouwen uitstappen, vergezeld door hun chauffeur. Rechts staat een Renault. Het is duidelijk dat de Europese autoindustrie in Oman totaal de boot heeft gemist. Je ziet wel alle Europese merken rondrijden, maar van elk merk maar heel weinig. Er zit van alles tussen, van Mercedes en BWM tot Saab en Lada. Negentig procent van de auto’s is Japans. Veel Toyota’s, bestelauto’s zijn van Toyota en Mitsubishi en het openbaar vervoer bestaat uit zijn Nissan-bussen voor circa 20 personen.

We rijden naar het westen, naar de havenplaats Raysut. De weg is 4 banen breed en splinternieuw. Op lage weggedeelten staan rood-witte palen met een bord erbij: als het water tot het rood komt moet je niet verder rijden, maar eerst kijken of je hoog genoeg op de wielen staat. De weg is nog niet af. Er moet nog een goot naast aangelegd worden. Dat wordt met de hand gedaan. Mannen in overalls sorteren stenen en rangschikken ze langs de wanden. Zwaar werk. Het is warm en ze hebben relatief veel kleren aan. De haven van Raysut is helaas hermetisch afgesloten. We kunnen er nergens in. Bij een soort werkdorp van BP gaat Ruud nog maar eens vragen naar brandstof voor de brander. Ook zij kunnen ons niet helpen. Vlakbij het dorp gaan we aan zee zitten. De rotsige kust rijst hier stijl omhoog uit zee. We zitten denk ik zo’n 20 meter hoog. Een heerlijke plekje: zon en wind. We eten en drinken wat. Beneden ons cirkelen een stuk of twintig Roodsnavel-keerkringvogels rond. Dat is een buitenkans, want die zijn heel schaars. Niet ver op zee zijn grote scholen vis vlak onder het wateroppervlak aan het paaien. Het borrelt en het bruist.

We zetten de tent op bij de Khawr Mughsayl, een soort toeristisch strand. Er zijn parasols en kleedhokjes (?). Als de tent eenmaal staat, en dat is zo gebeurd in het stevige zand, krijgen wij bedenkingen. Als het water hoger komt, loopt de tent dan niet onder? En als er een hoge golf komt, wat dan? We staan een poosje te delibereren. Het is vloed en het water zakt al. Die hoge golf komt vast niet. Maar ja, als die golf toch komt? Of als het water wŤl verder stijgt? We besluiten geen risico te nemen en zetten de tent hoger op de oever. Wat nog heel lastig is, want het is inmiddels al bijna donker en de bodem is daar keihard. Bovendien waait het pittig. Met behulp van stenen spannen we de scheerlijnen. Als alles weer is ingericht is het stikdonker. We nemen borrel (noodgeval) en eten ... brood met hagelslag. Ik ga slapen met oordopjes in. Wat maakt die zee een herrie!

 

 


Dinsdag 28 februari

Om kwart voor zes staan we op. We pakken de boel snel in en voor zonsopkomst zijn we al op de weg. We rijden naar het westen. De weg is zeer sensationeel en slaat eigenlijk alles wat we op dit gebied gezien hebben.

En dat hebben ze gedaan. Ze zijn op ongekende schaal aan het drilboren geweest. Het eerste stuk vanaf Khawr Mughsayl gaat nog wel. Er is wel veel weggehakt, maar over een tamelijk grote afstand. Dan daal je in haarspeldbochten een paar honderd meter en even later stijg je binnen een kilometer meer dan duizend meter. Dit is geen omgeving voor lijders aan hoogtevrees.

Op het hoogste punt, als we weer bij de zee zijn, slaan we een zijweg in. Een mooie plaats om te ontbijten. Er staan mooie bomen en struiken, bloeiende planten. Ver beneden ons ligt een beeldschoon strandje. Hoe zal de weg verderop zijn? Soms moet je tegen jezelf zeggen: hebben we geen kilometers voor. We gaan terug naar de plaats waar we hebben gekampeerd. We nemen een zeebad, Ruud gaat snorkelen. Een klein stukje verderop lopen tamelijk vlakke rotsen in zee uit. Er zitten veel holtes onder en gaten in. Iedere keer als er een wat hogere golf onder de rotsen komt, blaast het water onder druk de lucht door de gaten. Het klinkt alsof er een reusachtig snuivend monster onder zit. Het geluid komt steeds onverwachts. Spookachtig. We willen vandaag naar het noorden rijden. We gaan dus terug naar Salalah. Bij een tankstation zorgen we voor benzine en voor drinkwater. Bij een huisje achter het tankstation mogen we uit een grote tank drinkwater tappen. De IndiŽrs die er wonen willen er geen geld voor hebben. Ruud geeft ze een Delfts-blauw poppetje. Zo te zien vinden ze het heel leuk. De weg van Salalah tot aan Thumrait is van goede kwaliteit en fraai gelegen. In Thumrait kopen we langs de weg in beslag gefrituurde schijfjes aubergine en aardappel, en een soort loempiaatje met een rijst/groentemengsel. Lekker en weer eens wat anders. De mandarijnen in Oman zijn verrukkelijk. Na Thumrait gaan we de van de geasfalteerde weg af. Van nu af zullen we voorlopig graded roads rijden. Nou, dat valt niet tegen. We stoppen een paar keer om het landschap wat beter te bekijken en te versnaperen. Er zijn schitterende canyons. Er staat een lekker windje. Kortom .... vakantie.

Om een uur of vijf gaan we de woestijn in. Vanzelfsprekend bepalen we eerst met de GPS onze positie, zodat we morgenochtend de weg terug kunnen vinden. Onder een rots in een wadi vinden we een geschikt plaatsje om te kamperen. We zetten de tent op. Het waait alweer als een gek. De schoenen staan in de voortent. Die van Ruud doen wat de geur betreft sterk denken aan de sardientjesdrogerij. En denk eraan: morgenochtend eerst de schoenen uitschudden. Er kan ongedierte in zitten. Het is hier stil! Dat is heel prettig, maar dan ga ik liggen luisteren. Hoor ik echt niets? Zal er geen dromedaris dwars door de tent stappen? Wat is dat, hoor ik iets ritselen? Allemaal flauwekul. Ga nou toch gewoon slapen!


Woensdag 1 maart

Al vroeg zijn we weer uit de veren. We slaan de zonsopgang gade vanaf de rots waar we onder staan. Heel subtiel gebeuren.

We rijden naar het noorden en komen langs een ‘PDO Desert Farm’, een omheinde proeftuin. Er staan vruchtbomen, wijnranken, er wordt luzerne verbouwd en gras voor hooi. Na dat beleefd gevraagd te hebben mogen we er rondwandelen. Kijken wat voor vogels er zitten. We maken een praatje met de Australische bedrijfsleider. Het is voor hem 3 maanden op, 2 maanden af. Een goed bestaan, vindt hij zelf. En als hij zin heeft om lekker te eten gaat hij naar Marmul.

 

We stappen weer in en rijden verder. De temperatuur is inmiddels opgelopen tot een graadje of dertig. De airco gaat op mild. Door het woestijnlandschap gaan we richting Marmul. Daar raken we de draad kwijt. We komen terecht bij een PDO-kantoor. We mogen daar niet verder, er staat een slagboom voor. We vragen de weg aan de geŁniformeerde man die ons tegenhoudt. Hij begint erg gewichtig te kijken, vertelt ons hoe we moeten rijden en tekent er een kaartje bij. Aan de hand van deze gegevens vervolgen wij onze weg. Ik vond dat de man al zo verdacht gewichtig deed. Er klopt niet veel van zijn informatie. We rijden richting kust over een gruwelijk hobbelige weg. We dreigen te verdwalen in de olievelden bij Marmul. Het weghalen van richtingaanwijzers schijnt hier folklore te zijn.

We gaan terug tot het punt waar we nog wisten waar we waren en nemen de eerste de beste zijweg in de goede richting. De GPS is het daarmee eens. Gelukkig zitten we nu goed. In Shalim kopen we brandstof en eten. Op de kaart lijkt het dorp heel wat, in werkelijkheid is het een zeer armoedige bende. Geiten lopen een kartonnen doos op te vreten. We rijden uren over een eentonige vlakte. Het aanleggen van de weg is kennelijk bepaald door het constructiegemak. In de richting van de kust zien we namelijk woeste kloven en rotsen.

We maken de spectaculaire afdaling naar het dorp Saqirah. Een dorp met twee gezichten. Aan de ene kant vervallen oude huizen van gestapelde stenen. Aan de andere kant nieuwe huizen (sjabloon vissersdorp). De mensen hier zijn heel donker en de vrouwen niet gesluierd. Het is er een rotzooi. Ze hebben geen concept van afval. Later vertelt iemand ons dat ze hun nieuwe huizen net als de oude inrichten. Het vee staat binnen, zelf slapen ze erbij op de grond. Jammer dat we de taal niet spreken. We zouden wel wat meer van ze willen weten. We vinden in Saqirah geen kampeerplaats die ver genoeg van de bewoonde wereld ligt. We besluiten nog een stukje verder te rijden, hoewel het al laat is. Na een paar kilometer gaan we van de weg af. We rijden tot aan de kust. Vlak achter de eerste duinen zetten we de tent op. Het is hier mooi. Er staan bomen en struiken. Het waait alweer hard. We gaan achter een duintje uit de wind zitten en stoken de brander op. Met gewone benzine. We zien wel of het gaat. Uit de ‘etenstas’ komen twee blikken met chili. We maken ze open en doen het eten in de pan. In een mum van tijd is het warm. Het is al een paar dagen geleden dat we warm hebben gegeten.


Donderdag 2 maart

Het regent als we opstaan. Ik moet zeggen dat een heel bijzondere ervaring is. Gelukkig wordt het niet kouder dan een graad of twintig. De tent wordt vochtig opgeborgen. Met behulp van de GPS rijden we via de vlakte naar de weg. Hier en daar staat wat bebouwing. Er lopen mensen bij. De vrouwen zijn in het zwart gekleed en hebben hun gezicht bedekt. Zelf hier, in zo’n uithoek. Ergens vlucht zelfs iemand naar binnen. De vlakte is dun begroeid met bomen en struiken. Het geheel maakt een groene indruk. Eenmaal op de weg rijden we naar het noorden. Als we genoeg van de vlakte hebben slaan we weer af naar zee. Hier en daar maken we een wandeling. Er is veel te vinden langs het strand: schelpen, botten. Als Sietske erbij was kregen we haar nooit meer hier vandaan. We vinden een mooie walviswervel. Kunnen we die meenemen? Leg hem in ieder geval maar in de auto, dan zien we later wel. We hebben nu in ieder geval iets om op te zitten. Bij Khawr Ghawi is een zandspit met een mooie lagune. We rijden bijna tot het eind van de landpunt en nemen het ervan. Lekker in het zonnetje zitten, kopje koffie zetten, wat eten enzovoort. In de loop van de middag maken we een wandeling. Heel op ons gemak. Het is druk. Er staat een koepeltent met twee blanken en op de punt staat een auto met twee arabieren. Gluurders volgens mij. Aan de overkant van de lagune zijn blanken aan het recreŽren in zwembroek en badpak. De vondsten van vandaag: schelpen, schildpadschedel, complete schildpad (erg groot, dus niet mee te nemen), koraal.

Als we terug zijn bij de auto zetten we de tent op. Het waait inmiddels weer pittig. Ruud heeft ‘s middags gezwommen, ik ga nu nog even. Ik was mijn haar met shampoo. Kijken of het gaat. Het is heerlijk verfrissend. En dat zout op je huid, nou, ik merk er niets van. Trouwens, terwijl ik naar de auto terugloop begint het pittig te regenen. Krijg ik toch een soort douche. Gauw klimmen we in de auto. De tent staat nogal te klapperen. Ruud gaat even kijken of alles goed staat. De haringen staan in mul zand. Ze zijn wel helemaal ingegraven, maar toch. Ruud is niet langer dan 1 minuut buiten, maar als hij terugkomt is hij doornat. Gelukkig is het niet koud. We hopen dat de tent het houdt in de storm en de slagregens. De laatste keer dat hij zoveel regen meemaakte is erg lang geleden. Ik denk in 1990 in Yellowknife, Canada. En toen waaide het niet. We eten in de auto. Als het even droog is poetsen we gauw onze tanden en gaan we naar bed.


Vrijdag 3 maart

Een onrustige nacht. De tent klappert, af en toe regent het. Om 6 uur staan we op en breken de tent af. Langzaam rijden we langs de zandspit terug. Cross country gaan we naar El Khalid, voor water en eten. Water lukt wel, eten is wat moeilijker. Het is duidelijk te zien dat de ramadan is afgelopen, want er wordt openlijk gegeten en gerookt. We rijden over een grote vlakte met veel bomen en struiken. Bij een paar hutjes, in elkaar gezet van oud hout, is een kampvuur. Er staat een mannelijk gezelschap omheen. Het meest waarschijnlijke lijkt me opa, vader en zijn vijf zoontjes. We stoppen en ze gebaren dat we moeten komen. Er wordt in de richting van het ‘huis’ geroepen. Het vrouwelijk deel van de familie verschijnt: oma, moeder en vier meisjes. Die zijn veel mooier gekleed dan de mannen. Ze zijn ook opgemaakt met zwarte stippen en gekleurde handpalmen. We krijgen een hand en ze bieden het bekende ‘dadelprutje’ en koffie aan. De dadels zitten in een plastic bakje in een plastic zak. Als de plastic zak leeg is houden ze hem omhoog, de wind zorgt er verder voor. Afvalprobleem? Nee hoor. De nationale vlag van de bedoeÔenen is een plastic zak boven in een struik.

Wij vinden de heersende temperatuur lekker. Zij staan een beetje te kleumen rond het vuur. Opa heeft een dunne boernoes aan, de vader twee lappen en de oudste zoon een korte broek en een dun T-hemd. De kleine jongens soepjurken zoals wij ze maar zijn gaan noemen. De oudere kinderen zijn schoon, maar de kleintjes zijn te vies om aan te pakken. Vermoedelijk wordt de persoonlijke hygiŽne van jongs af aan geheel aan jezelf overgelaten. De op ťťn na oudste jongen heeft een steunding om zijn nek. ‘Accident’ is de verklaring.

Met behulp van het woordenboekje proberen we een gesprek te voeren. Ze kunnen in ieder geval lezen, maar niet het Arabisch dat in ‘Wat en hoe’ staat. Dat is kennelijk het verkeerde Arabisch. Helaas spreken ze maar weinig Engels. De oudste jongen, een echte puber, staat zich uit te sloven. He is crazy, zegt zijn vader. De kleine jongens doen hun mond niet open. Bedeesd en wellicht ook hongerig staren ze naar de kookpot op het vuur. Er zit een pas geslachte geit in. Ze roeren in de borrelende pot met een balk. Eerst hebben we het idee dat we mee moeten eten, maar dat slaat natuurlijk nergens op. Volgens mij is die geit voor zo’n groot gezelschap toch al een hapje van niets. Binnen hoor ik een baby huilen. Minstens tien kinderen. Dat lijkt me verschrikkelijk veel. De man is visser. Waarom woont hij zo ver, ik denkt toch wel drie kilometer, van zee af? Is het te gevaarlijk om er dichterbij te wonen? Is dit het goedkoopst? Volgens Ruud is het vanwege de geiten. Die hebben dicht bij zee niets te eten. We nemen afscheid van de familie. Als herinnering aan het bezoek van twee Nederlandse toeristen geven we een Delfts Blauw klompje. We sommeren de oudste jongen het aan zijn moeder te geven. Hij rent weg. Ik zou wel in het hutje willen kijken. De oudste jongen ziet nog kans een blikje Mountain Dew van de achterbank te grissen. We geven het tweede blikje ook maar weg. We gaan richting grote weg. Het pad dat we volgen loopt van hutje naar hutje. Er zijn veel zijpaden. Met behulp van de GPS vinden we de ‘graded road’.

Bij het eerstvolgende dorp gaan we tanken. Dat gebeurt vanuit een groot rechthoekig rood vat. De pompbediende laat benzine in een jerrycan lopen en hevelt het vervolgens met een slang in de tank. Het volzuigen van de slang lijkt me buitengewoon vies en ongezond. Ruud vindt dat ik brood moet gaan kopen. Ik ga de ‘foodstuff’ binnen en probeer de aandacht van de twee winkelbediendes te trekken. Zij kijken dwars door mijn heen en beginnen ongegeneerd met elkaar te fluisteren. Dit is zinloos. Ze willen mij niet zien. Als we het dorp uitrijden komt ons een pick-up tegemoet. In de bak staan een stuk of vijf mannen. Ruud stopt om een foto te maken. Zij stoppen om ons te begroeten. We krijgen twee vissen. Ruud is blij. Eindelijk weer eens wat fatsoenlijks te eten.

We proberen in een volgend dorp nogmaals aan brood te komen. Kris kras rijden we tussen de huisjes door. Bij een omheining worden we aangesproken. We moeten nodig de ‘garden’ zien. We rijden achter de westers geklede man aan. De tuin is goed afgesloten. Dat lijkt mij ook wel zinvol gezien de geiten en kamelen die overal rondlopen. Er is inmiddels een heel gevolg opgedoken van mannen en jongens. Het is een eenvoudige bedoening, maar de man is er trots op. Ik krijg een niet als zodanig herkenbare peper en bijt er een stukje af. Het jeugdige deel van het gezelschap lacht zich een hoedje. De ouderen kijken verontschuldigend. Er staan tomaten, komkommers, pepers en luzerne. Verder rijden we. Bij Wadi Dihabeen gaan we een eindje het weidse binnenland in. Een paar kilometer voor Palm Tree Lagoon gaan we het strand op. Langs de vloedlijn rijdt het prima. Maar dan weer eraf. Dat is zelfs voor de 4WD een hele toer. Het lukt net aan. De Palm Tree Lagoon, zeer aanbevolen door de boekjes, kan ons niet bekoren. Het regent zachtjes. We besluiten dat we hier niets te zoeken hebben en gaan de weg weer op.

Bij het bord dat in de richting van Wadi Gharm wijst slaan we rechtsaf. Het is niet echt een pad, meer een verzameling sporen. Een paar honderd meter van de weg af zien we een mooi vlak plekje voor de tent. Helaas, er is een mierennest gebouwd waarin erg grote mieren zijn gevestigd. Er vlakbij is wel een geschikte plaats. We zetten de tent op achter een bosje. Het waait, het begint te regenen en het wordt al donker. De auto staat met de kop in de wind. In de openslaande achterdeuren sta ik redelijk droog. Ik maak de vissen schoon. De ene is een soort meerval, de ander lijkt op een geep. Mijn enige gereedschap is het onvolprezen Zwitserse zakmes. We koken de vis in de grote pan en doen er wat smaakmaker bij in de vorm van een zakje instant-soep. De meerval smaakt natuurlijk prima. De geep-achtige vis zit zo stampvol met graten, dat we hem maar zeer gedeeltelijk opeten.


Zaterdag 4 maart

Bij het opbreken van de tent laat een busje los uit een van de stokken. Aan de ‘goede’ kant van de stok krijgen we de knoop niet vrij. Dan de andere kant maar. De slechte stok verwijderen we, de reserve moet ertussen. Dan moet het elastiek er weer door geregen. Dat gaat vanaf de ‘verkeerde’ kant eigenlijk niet. We binden een naald en een lange dunne draad aan het elastiek en laten de naald door de stok glijden. Vervolgens trekken we het elastiek door het busje. Gelukkig gaat dat redelijk gemakkelijk. De hele affaire kost ongeveer een uur, maar dan hebben we ook weer een goede tentstok.

We rijden een stukje met de auto de wadi in en maken een wandeling. Er zijn palmbosjes, er is een waterput met een pomp en er staat zelfs een moskee. De deur is open. Uit fatsoen doen we onze schoenen uit. De vloer is met kleden bedekt en op een plank ligt een slordige stapel boeken. Het ziet er uit alsof er al tijden niemand is geweest. Er lekt regenwater door het dak en sommige tapijten zijn nat. We lopen verder. Als het serieus begint te regenen blijf ik met onze spullen schuilen onder een palmboom en gaat Ruud de auto halen.

De wadi heeft verrassingen in petto. Eerst komen we bij een zoutvlakte. Zoiets hebben we nog nooit gezien. Het lijkt wel of de bodem bedekt is met een laagje roze waterijs. Na het zout komt een lagune. Heel lang. We rijden erlangs tot we niet ver van de zee zijn. Een klein stukje gaat over vlakke rotsen. Daar liggen allemaal netten. Volgens ons liggen ze daar niet om te drogen, maar zijn ze achtergelaten.

 

 

We rijden terug tot we bij een pad komen dat evenwijdig aan de kust loopt. Een heel eind gaan we zo naar het noorden. We hopen dat we op die manier bij Ra’s Madrakah uitkomen, maar dat lukt niet. Bij een uitloper van een wadi moeten we weer het binnenland in. Dat blijkt niet erg, want we komen terecht in een spectaculaire vallei. De bodem is verweerd en vol met kleuren van zouten en mineralen. Uit de kalkachtige rotswand komen fossiele koralen en schelpen tevoorschijn. Hebben, hebben!!

Helaas, het wordt al weer tijd om op zoek te gaan naar een overnachtingsplaats. Die denken we te vinden we bij Ras Madrakah. Bij de waterfabriek tanken we de grote jerrycan vol en vragen de weg. Men vertelt ons dat er zelfs een ‘supermarkt’ is. We doen ons uiterste best, maar volgens ons is het een verzameling food stuffs. Dit kost tijd. We komen uit op een strand dat ons niet bevalt. Rijden terug en rijden verkeerd. Kost ook tijd. We gaan een steile helling af. Beneden vinden we een plekje voor de tent. Het is stikkedonker. Bij het licht van de koplampen zetten we de tent op. Daarna stoken we de brander op. Pan water erop met twee blikken lasagne erin. Verklaren dit tot een noodgeval. Er komen een paar autochtonen langs om een praatje te maken. Geen erg wereldvreemde types. Ze spreken wat Engels en betrekken mij in het gesprek.

 


Zondag 5 maart

Vlak voor zonsopgang staan we op. Eerst maken we een wandeling langs het strand en over de rotsen. Het is laag water en in de achtergebleven poeltjes zitten de mooiste vissen en krabben. We zien zelfs een moeraal. Die heb ik gepest door steentjes voor zijn neus te gooien. Na de wandeling breken we de tent op en ontbijten we wat. Nu het licht is kunnen we iets gemakkelijker de goede weg naar het afgelegen strand vinden. Als we een eindje op weg zijn roept Ruud: ‘waar is de GPS?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Hij lag op de motorkap. Oh oh, dan is hij eraf gevallen.’ Wij terug. Gelukkig ligt hij een stukje terug en gelukkig is hij nog heel. Wat is de moraal van dit verhaal? Nooit iets op de motorkap leggen!

Ik zit op het strand. Ruud is gaan snorkelen. Net was er een invasie van circa tien auto’s met westers volk, maar die zijn weer weg. Dit strand is van mij! En van de krabben. Nu de rust is weergekeerd komen ze overal tevoorschijn. Het is heerlijk weer. De zon schijnt en er staat een lekker windje. We hebben ons hele hebben en houden te drogen gelegd. Alles was klam geworden.

In de loop van de middag pakken we de spullen weer in. We rijden richting Ras al Duqm. Als we door Ras Madrakah rijden staat er opeens een kleurrijk gezin naast de weg. Ruud grijpt zijn fototoestel en begint te fotograferen. Op een drafje komt de moeder eraan met nog meer kinderen. Ze blijken souvenirs te verkopen: zeer fijn gevlochten mandjes. Ze willen 5 rial hebben voor een klein dingetje. We vinden het wel erg veel, maar ja, je moet maar zo denken: een mooie foto is ook wat waard. Na enig fotografeerwerk betalen we de 5 rial. Eigenlijk willen we liever in dollars betalen, want we beginnen door ons Omaanse geld heen te raken. Maar ze willen absoluut geen dollars. Alleen Rials. De dichtstbijzijnde bank is 250 km weg.

Bij de waterfabriek vullen we de waterflessen en de jerrycan. De beheerder van het spul, een IndiŽr, beweert dat er wel degelijk een supermarkt is in het dorp. We doen nog een poging, maar verder dan wat foodstuffs komen we niet. We houden ermee op, dit kost teveel tijd. We gaan naar Ras al Duqm. De weg er naartoe is slecht te berijden. Nog steeds zijn er grote waterplassen op de weg en waar geen plassen liggen is een dikke laag modder. Alleen in het midden loopt een spoor. Als er een tegenligger aankomt moet er een opzij. Bij grote plassen is het verstandig om naast de weg te rijden. In Duqm, niet echt een wereldstad, kopen we brood. Bij de visfabriek, een aanrader volgens de boeken, gaan we meeuwen kijken. En vis kopen die netjes schoongemaakt is. We kamperen een eindje van de weg af.


Maandag 6 maart

Het is aardig afgekoeld vannacht. De tent is nat van het condens en van de dauw. Aan het strand bij de visfabriek kijken we hoe de vissers uitvaren. Ze slepen hun boot met een rode vissers-Toyota-pickup naar de zee en duwen hem dan met de auto het water in. Drie mannen zijn er druk mee doende. Het gewone verhaal: handen schudden, praatje maken. Ze vissen met staande netten. Niet erg lang, misschien 50 meter. Ze gaan alleen of met z’n tweeŽn het water op.

Een werknemer van de visfabriek komt langslopen en blijkt Engels te spreken. Hij is afkomstig uit de Filepijnen. Hij vertelt dat de vissers hun vis verkopen aan de visfabriek. Behalve wanneer er handelaren komen die meer bieden. Dan gaat de vangst daar naartoe. De visfabriek heeft eigen huisvesting. Er staat een grote schotelantenne bij. Onze kennis heeft op de televisie gezien dat er in Nederland een bijna-overstroming was. Het wordt zo langzamerhand tijd om onze terugvlucht te herbevestigen. Is er telefoon bij de visfabriek? Nee, niet nodig. De handelaren komen de vis toch wel ophalen. En als er wat gebeurt springt er iemand in de auto en rijdt naar Zaima, 250 kilometer hier vandaan. Daar is wel telefoon. We vragen of er een bank is om geld te wisselen. Nee, de dichtstbijzijnde bank is eveneens in Zaima. Maar als we dollars willen wisselen voor rials dan kan dat wel bij het Shell-benzinestation. De manager gaat binnenkort met vakantie naar Bangladesh, die wil wel dollars hebben. Ook de manager van de visfabriek schijnt wel eens dollars te willen wisselen. Die gaat geregeld naar Abu Dabi, een stad waar alles gebeurt wat Allah ten strengste verboden heeft. Terwijl we zo staan te praten komt er een blauwe Toyota pickup langs. Er zit een man in met een heel eigenaardig gezicht die ons doordringend aanstaart. Het lijkt wel of zijn gezicht verminkt is, verbrand of zo. Ik kan het niet goed zien want ik durf niet goed terug te staren. Hij wordt bijzonder vriendelijk gegroet. De burgemeester, mompelt onze zegsman. Zodra we weglopen rijdt de burgemeester - die echt een griezelig gezicht heeft - naar onze kennis en vraagt hem wat wij moesten. We horen nog net hoe de Filippijn ons geldprobleem begint uit te leggen.

We gaan naar het strand bij een rotspunt en ontbijten daar. We blijven er een poosje zitten, want het is er zeer goed uit te houden. Maar ja, het is vakantie, dus er moet gewerkt worden. We rijden naar Duqm en zouden dan door een versteend bos moeten rijden. Wij zien wel grote stenen, maar wat stellen die voor? Als we een klein stukje verder rijden zien we wat we horen te zien. Enorme versteende boomstammen die uit het kalksteen tevoorschijn zijn gekomen. Veel zijn er afgebroken, maar een paar liggen er alsof ze net geveld zijn. Ik wandel rond op mijn sandalen. Niet zo’n goed idee, want de bodem is hier en daar nog knap modderig.

Ruud treft een grote ronde steen aan op een ‘steeltje’ van kalk. Hij duwt de steen er vanaf. Is dit nou barbaarse vernielzucht of preventie. Je kunt net zo goed zeggen dat de steen anders op een kindje terecht had kunnen komen. De foto laat de steen voor het laatst recht op zien. In Duqm lukt het inderdaad om dollars te wisselen voor rials. De man uit Bangladesh neemt ons mee naar een schuurtje dat wat terzijde staat. Daar opent hij zijn koffertje. Er zit geld in. Veel geld, volgens ons. Hij is in geen drie jaar thuis geweest en heeft kennelijk goed kunnen sparen.

Duqm is een cirkel op de kaart. Dat betekent dat het een relatief grote plaats is. Desondanks is er geen bank, geen telefoon en weinig elektriciteit. Alleen een beetje van de generator van de visfabriek. Er is echter wel een winkel waar we brood kunnen kopen. En water natuurlijk. Terwijl Ruud de boodschappen doet zit er ineens een jongen van een jaar of zestien achter het stuur. Ik roep dat hij op moet hoepelen, maar naar vrouwen luister je kennelijk niet. Pas als Ruud erbij komt gaat hij weg. Het is niet kwaad bedoeld, waarschijnlijk is het voornamelijk bluf. In de middag rijden we naar Flim. Kun je beter omdraaien tot film. We willen een afsteker maken via een pad over een harde zout/moddervlakte. Op een gegeven moment gaat het harde er een beetje af. We maken snel rechtsomkeert. De graded road naar het dorp is ook niet te berijden. Er is een geÔmproviseerde weg naar het dorp. Flim is een vissersdorp dat bestaat uit omheinde erven. Binnen de omheining van riet staan (denken wij) een woonhuis, een schuur, een stal en een geitenhok. Uiterlijk verschillen deze gebouwen niet veel van elkaar. Het ziet er allemaal zeer bijzonder uit.

Een dromedaris staat een kartonnen doos op te eten. We stoppen bij een winkeltje. Een vrouw in het zwart en met een masker voor komt naar met toe. Ze geeft me een hand en wil een praatje maken. Zij spreekt geen Engels, ik geen Arabisch. Jammer, jammer. De maskers beginnen me trouwens wel een beetje tegen te staan. Toch lijkt het me niet dat de vrouwen er ongelukkig onder zijn. Het geeft ze wel de gelegenheid om je ongegeneerd aan te staren. Bij een andere winkel gaf een vrouw me een hand. Ik deed mijn opklapzonnebril omhoog. Ze wees op haar masker en op mijn bril. Alsof het iets vergelijkbaars was. Ze moest er zelf om lachen. We rijden de weg af tot voorbij Flim en gaan dan achter een bergrug staan. De zon gaat weer heel mooi onder.


Dinsdag 7 maart

De zon komt heel mooi op. We gaan eerst vogels kijken in het dorp. Vier vissers spreken ons aan. We krijgen wat dadelspul. Drie stellen zich redelijk bescheiden op, de vierde is een druktemaker en grapjas. We mogen wel mee gaan vissen. Dit genereuze aanbod slaan we af. Ze hebben twee vaatjes bij zich: een met brandstof en een met water. Ze vatten moed en gaan lopen naar hun boot. En die boot ligt heel ver weg, want het is laag water.

We bezoeken de waterfabriek, die wordt gerund door IndiŽrs. Jammer van het ongunstige tij. In de verte ligt het eiland Mahawt. Dat is helemaal begroeid met mangroves. Het ziet er heel intrigerend uit. ‘s Middags rijden we naar Hayi, een vrij grote plaats. Met oude huizen, gestempelde nieuwbouw en een winkelstraatje. Er lopen veel (vieze) kinderen op straat, die er heel vrolijk uitzien. Ruud gaat water kopen, ik blijf in de auto. Aan de overkant van de straat staan vier meisjes naar me te staren. Een van de meisjes kijkt me als gebiologeerd aan en zonder me een moment uit het oog te verliezen steekt ze de weg over en loopt ze naar mijn kant van de auto. De andere meisjes, een knappe zelfbewuste en twee heel verlegen kleintjes, komen achter haar aan. Ik geef hun alle vier een hand en maak er een foto van. Het is jammer, maar altijd weer komen er van die brutale knullen voor staan die je bijna opzij moet duwen. Dat laat ik maar aan Ruud over, naar hem luisteren ze wel. Hij steekt met zijn 1 meter 80 boven iedereen uit, en dan nog met blauwe ogen, blond haar en een snor. De kleine kinderen vinden het volgens mij maar eng. Ze deinzen nogal eens achteruit als hij uitstapt.

Er is een bank in Hayi. Geld hebben we niet nodig, maar wel een telefoon. Ruud gaat vragen. Hij komt terug: nee, er is geen telefoon in de bank, maar we moeten achter iemand aanrijden. Er komt een vrij luxe auto aanrijden. Wij er achteraan. Wat nog moeite genoeg kost, want de chauffeur zet er aardig de sokken in. Wij hebben nog ontzag voor hobbels en kuilen. De man rijdt voor ons uit de woestijn in. Wat nu? Hij rijdt een heuveltje op. Ruud stapt uit. Er gaat ons een licht op. Dit is een ‘zendheuveltje’. Met een mobiele telefoon kun je van hieraf onder gunstige omstandigheden met Muscat bellen. Helaas zijn de omstandigheden niet gunstig, want het is niet mogelijk een verbinding tot stand te brengen. Evengoed hartelijk dank. De man adviseert ons om niet door de Wahibi-sands te rijden. Door de regen zijn de wegen onherkenbaar. Na Hayi gaan we door een soort woestijn. Met de GPS durven we wel een eindje van de weg af te gaan en het terrein in te rijden. We lunchen in de schaduw van een boom. Het is warm. In de verte zien we tenten van bedoeÔenen.

‘s Avonds staan we ten oosten van de weg, circa 20 km de woestijn in. Toen we hier naartoe reden kwamen we langs een ommuurde oase. We stopten om dit mirakel te aanschouwen. De deur ging open en de bewoner (oppasser?) liet ons de tuin zien. We mochten het huis niet fotograferen, maar kregen wel twee limoentjes. We bivakkeren bij een plasje. Er komen twee autochtonen aan in een pick-up. Ze stoppen en beginnen te pootje baden. Dat zal hier wel niet zo vaak kunnen. We genieten van het landschap in het laatste zonlicht. Als de zon weg is zetten we de tent op. Net als hij staat begint het hard te waaien. De wind staat precies op de opening. Normaal gesproken streef ik daarnaar, omdat je dan nog wat frisse lucht in de tent krijgt. Tegen de zin van Ruud, die het in strijd vindt met de ‘regels voor het opzetten van de tent’. Die moet met de dichte achterkant in de wind. Dit keer kon ik er echt niets aan doen! Het begon pas te waaien toen de tent al stond. Ik kook in de auto, die we met de achterkant uit de wind hebben gezet. Dit is een noodgeval! Borrel!

We staan bij de zandwoestijn en dat is te merken. Heel fijn zand stuift over de vlakte. Het komt overal in te zitten. In het eten, in de auto, in het haar. Gelukkig heeft zich reeds een zekere onverschilligheid van ons meester gemaakt. Als je niet tegen zand kunt, moet je niet naar de woestijn gaan. We hebben op de eerste de beste dag dat we kampeerden besloten geen acht te slaan op zand.

Het eten van vandaag

Vlak na het opstaan eten we liga en nemen paludrine-tabletten in met wat water.

Brunch: 2 broodjes, 1 plat brood, 1 cakeje, koffie en yoghurt

Avond: wonderhutspot met een blik cornedbeef, appel toe.

Dit was wat het eten betreft geen doorsneedag. Het is namelijk rijkelijk veel.


Woensdag 8 maart

We rijden door het terrein naar Ar Rubbah. We komen door een schilderachtig dorp, inclusief installatie om water op te pompen en groente-oase. Met behulp van de GPS gaan we richting Sinaw. Daar komen we voor het eerst in weken weer op asfalt terecht. Er lopen zelfs ongesluierde vrouwen rond. We rijden een stukje de stad in. Smalle straten, oude lemen gebouwen. Na Sinaw gaat het richting Nizwa. We fatsoeneren ons een beetje en gaan de stad in. Er is een prachtig oud fort, grondig gerestaureerd, wat aan de foto’s te oordelen een gigantisch werk geweest is. Er was niet veel meer van over. De sfeer die is nog wat nieuw, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de bouwwijzen. Er zijn allerlei kamers, hokjes, trapjes, putten enzovoort. Achter het fort liggen restanten van de echte oude stad. Vervallen leegstaande lemen huizen en minder vervallen huizen die nog bewoond worden. Helaas zit er niet veel samenhang meer in, zodat je niet de sfeer voelt die er vroeger gehangen moet hebben. Leem en stro zijn geen bouwmaterialen die een eeuwigheid meegaan. Ik kan me wel voorstellen dat de mensen nu liever in moderne huizen willen wonen. We brengen ook nog een kort bezoek aan de grote, prachtig gerestaureerde moskee. Ruud trekt keurig zijn schoenen uit, maar komt toch niet ver. Vriendelijk doch beslist wordt hem de deur gewezen.

In Nizwa eten we in een restaurant. We gaan zitten en krijgen meteen een fles water voor onze neus. Net wat we nodig hebben. We bestellen een lunch: soep, rijst met lekker vlees, arabisch brood, veel water, thee (voor mij) en verse sinaasappelsap (voor Ruud) toe. Alles voor de verbijsterende prijs van 3 rial = 12 gulden.

Na de lunch - we kunnen er weer even tegen - gaan we de bergen in. De weg omhoog is buitengewoon spectaculair. Meermalen roept Ruud: zo’n weggetje heb ik nog nooit gereden! Hier en daar is de weg door de regen lichtelijk weggespoeld. Er zijn enkele nederzettingen met drie of vier huizen. Er zitten vrouwen te praten en er zitten mannen te praten. Er lopen geiten omheen. De kinderen vermaken zich buitengewoon, ze spelen buiten. Blootsvoets rennen ze over de rotsen. Het ziet er heel ontspannen uit. En dan te bedenken dat deze huizen hemelsbreed maar 30 kilometer van de 20ste eeuwse moderne wereld af liggen.

Als het bijna donker is vinden we een redelijk vlak plekje voor de tent. Het is koud! We trekken lange broeken en jassen aan. Grote zwarte wolken jagen over de bergtoppen. Een half uur later is het helder. We zien ver beneden ons lichtjes van de steden die daar liggen.


Donderdag 9 maart

Het was een koude nacht. De temperatuur kwam volgens ons niet boven de 5 graden uit. De donzen slaapzakken waren heerlijk warm. Het kost echt moeite om er ‘s morgen uit te gaan. We maken een ochtendwandelingetje en rijden daarna naar het einde van de weg. Onderweg ontdekken we vanzelfsprekend een prachtig kampeerplekje: een soort hoogvlakte met dikke bomen, ingesloten van rotsen. Dat is het erge van wild kamperen. Tegen donker zet je de tent op, maar je weet bijna zeker dat er verderop een heel mooi tentplekje is. Men mag wel stellen dat het allemaal verbijsterend en spectaculair overkomt. We klauteren een hoge rots op. Beneden liggen dorpen met terrasbouw. Ze zijn erg dichtbij, maar alleen te bereiken vanaf de andere kant van de bergketen.

Als we in alle voorzichtigheid de berg weer zijn afgedaald rijden we een groot dorp in. Er zijn plantages met palmbomen. De vrouwen zijn niet gesluierd, ze hebben alleen het haar bedekt. Hun kleding is erg kleurig. We lopen langs huizen van stro en leem, die er erg verwaarloosd uitzien. Regen is funest voor dit bouwmateriaal. De meeste mensen zijn verhuisd naar nieuwe en comfortabelere woningen. Het is wel jammer dat de oude stijl verdwijnt, maar dat is uitsluitend vanuit westers oogpunt bekeken.

Ruud gaat bij een food stuff wat eten kopen. Er staan een stuk of tien jongetjes om de auto heen, in de leeftijd van 2 tot 10 jaar. Ze zijn knap brutaal en zeggen volgens mij rare dingen. We verstaan het toch niet. Er komen een paar meisjes aan. Die zien er veel netter uit dan de jongens. Sommige kinderen hebben geen echt zwart haar, maar een beetje bruinig. De jongens beginnen zich hoe langer hoe meer uit te sloven. Er gaan er zelfs twee op hun kop in de vuilcontainer staan. Een volle, wel te verstaan. Ze kruipen er doorheen als een westers kind door zo’n bak met gekleurde balletjes. Gelukkig hebben ze geen schoenen aan die ze kwijt kunnen raken. Een feit is wel dat ze buitengewoon veel plezier hebben. En er staan weer kinderen tussen die je zo wel mee zou willen nemen.

We verlaten het plaatsje via smalle steegjes en sluipgangetjes. We rijden naar A Seeb. Ik maak een denkfout! De waterzuivering is niet bij het plaatsje A Seeb, maar bij het vliegveld. En Ruud maar vragen: weet je het echt zeker. Ja hoor, ik wist het echt zeker. Na enig gezoek komen we op het rechte pad. We zetten de tent een eindje voorbij de zuivering op. Het ruikt licht naar slib en het is stoffig. En het is al donker. Noodgeval! Daar gaat de rest van de drank.


Vrijdag 10 maart

De dag begint met een echt noodgeval. De auto start niet. We lopen wat rond over de zuivering, vogels kijken. Er rijdt een auto rond en we gaan hulp vragen. Het is een werknemer van de Amerikaanse ambassade in Muscat die zijn vader heeft meegenomen om te vogelen. Ik blijf bij de oude baas, Ruud gaat met de ander proberen de auto aan de praat te krijgen. Hij blijft een hele tijd weg. Oorzaak: hij kon eerst de tent niet terugvinden, er moest een sleepkabel komen, allemaal erg ingewikkeld. Als hij terugkomt, met de auto, nemen we afscheid van de Amerikanen. De vader bedankt mij hartelijk voor het feit dat ik hem heb geholpen met het vogels kijken. Gelukkig had ik de telescoop bij me gehouden.

We slaan een aanbod om te komen douchen en ontbijten af en begeven ons richting vuilnisbelt. Daar schijn je als vogelaar geweest te moeten zijn. Eigenlijk mogen we het terrein niet op, maar met enige overredingskracht weet Ruud voor een uurtje toestemming te krijgen. Het is zaterdag en om 11 uur gaat het hek dicht. We rijden regelrecht naar de kadaverstortplaats. Het stinkt er en het wemelt er van de vieze vliegen, maar er zitten wel arenden en gieren. Dat vergoedt veel, zo niet alles. Die vliegen hebben we de hele dag bij ons gehouden.

o_0491.jpg (15126 bytes)

Daarna: weer eten kopen in een dorp. Ook hier weer veel kinderen op straat. Het zijn schatjes, maar wel vieze. De mensen in dit dorp zien er donkerder uit dan elders. We rijden via Muscat naar het oosten. We willen naar het strand! Gelukkig hebben we een boekje bij ons waarin staat welk zijstraatje we precies moeten hebben, anders hadden we het nooit gevonden. Het is een mooie rit er naartoe. De weg begint met asfalt, maar in de buurt van Yiti gaat hij over op steenslag. We komen uit bij Bandar Khayran. We vinden pas na enig zoeken het pad naar een mooie inham. We rijden eerst te ver door. We draaien om. Er staat een lifter en we besluiten em mee te nemen. Zijn bagage bestaat uit een grote zak. Ik kruip achterin, hij mag voorin. Wil ons een sigaretje aanbieden. Ruud maakt hem duidelijk dat wij niet roken en dat wij het op prijs zouden stellen als hij dat ook niet deed. De sigaretten gaan weg. We laten hem een kaartje in het boek zien en vragen of hij het zijpad weet. Er komt een erg vaag antwoord. Bij elk zijpad zegt hij: nee, niet hier, verderop. Bij het volgende dorp weten we zeker dat we te ver zijn. We zeggen dat we weer terug gaan. De man stapt uit en loopt niet verder langs de weg maar naar het dorp. Hoeft hij niet verder? Is hij een rondreizende waarzegger of zoiets?

Uiteindelijk slaan we een onooglijk pad in en dat blijkt het goede te zijn. We komen bij een heel mooi strandje uit en installeren ons daar. Er zitten nog meer blanken, maar die gaan om een uur of vijf weg. Snel rijden we naar de plek waar zij stonden en zetten daar de tent op. Heel mooi, heel rustig. We zwemmen wat en zitten net rustig als er opeens een man bij de auto staat. Waar die nou ineens vandaan kwam! Hij komt gezellig bij ons zitten, haalt een plastic zakje tevoorschijn en biedt ons enkele schelpen te koop aan. Nou vooruit dan maar. Hij wil 1 rial hebben, maar we hebben alleen groot geld of 900 baisa. Dat mag ook. Hij kent een paar woorden Engels. You married? Yes. Children? Ruud heeft inmiddels twee kinderen verzonnen, want dat je als echtpaar geen kinderen hebt geloven ze toch niet. De man loopt weg en komt even later weer terug. Hij komt er weer bij zitten. Ik heb ondertussen een lange rok aangetrokken over mijn badpak. Dan is het kennelijk niet interessant meer, want zonder ons verder een blik waardig te keuren vertrekt hij definitief. Hij verdwijnt tussen de rotsen.


Zaterdag 11 maart

Dit was voorlopig de laatste nacht in de tent. Lekker geslapen. Ruud maakt een ochtendexcursie naar het mangrovebosje verderop. Ik blijf lekker nog even liggen. Er ligt een ontzettend lange dag voor ons. We installeren ons voor een stranddag. Om beurten gaan we een eindje snorkelen of pootje baden. We besteden er uren aan om onze kwetsbare vondsten in te pakken. Ik maak twee frisdrankblikjes aan de bovenkant open en met behulp van zakdoekjes pak ik schelpjes en koraaltjes in. De koffers komen tevoorschijn. En dan komt de cruciale vraag: nemen we onze wervel mee of niet? Hij past wel in de koffer. Vooruit dan maar, we proberen het. Na veel passen en meten krijgen we alles erin. De koffers zijn zwaar, de handbagage is dat ook. We maken de auto een beetje netjes en zetten alles erin. Dit is altijd zo’n toestand. Je wilt niet alles ver weg opbergen, maar je kunt dat ook niet tot het laatste moment uitstellen. We rijden richting Muscat. We bezoeken het stadspark en daarna is er nog wel wat tijd om aan het strand te kijken. Helaas is het laag water. Er zitten lang niet zoveel vogels als de eerste dag dat we hier waren.

Aan het eind van de middag gaan we naar het hotel, om de autohuur te regelen. Men is benieuwd naar onze ervaringen en was zelfs bezorgd over ons welzijn in verband met de regen en de slecht begaanbare wegen. De uiteindelijke kosten vallen niet tegen. We vragen: kunnen we op het vliegveld lekker eten? Ja hoor, geen probleem. We rijden naar A Seeb en leveren de auto in. En dan blijkt dat er sinds enkele maanden geen goed restaurant meer is, er zijn alleen cafetaria’s. Dan dat maar. We gaan door de douane en houden ons hart vast. Ze moeten toch zien dat we een wervel en een schildpadschedel bij ons hebben. Gelukkig zeggen ze er niets van. Ik stel me op bij de balie van de KLM. Zodra die open gaat melden wij ons. Weer houden wij ons hart vast. De koffers wegen samen 58 kilo, dat zijn er 18 teveel. Er wordt echter geen probleem van gemaakt. De handbagage houden we wat op de achtergrond. Die bestaat uit: twee rugzakken, de fototas, het statief en een plastic tas. We gaan naar de vertrekhal op de bovenverdieping. Wat lezen en wat kopen. Een hangertje voor Adila en een zilveren doosje voor onszelf. Ze hebben ook heel leuke boodschappentassen.

We zien hier de familie Peper weer. Die heeft nog aardig wat moeite moeten doen om een plekje in het vliegtuig te veroveren. Ze hebben er zelfs het reisbureau in Nederland achteraan moeten sturen. Het vliegtuig zal dus wel lekker vol zitten. Nou, dat is inderdaad het geval. Om ons heen zitten allemaal mensen met kinderen. Bij het opstijgen en landen is het een stoelendans van moeders die kinderen op schoot moeten houden en vaders die ergens anders moeten gaan zitten. We zitten in het midden van het vliegtuig, tamelijk vooraan. Ruud zit aan het gangpad, naast mij zit een klein kind. Niet zo slecht dus. Tot aan Bahrain gaat het nog wel. Dan wordt het pas echt vol. We zien hoe iemand tot haar verrassing eerste klas mag gaan zitten. Die zit nu ook vol.

Het is me wat. Zo’n volle bak heb ik nog nooit meegemaakt. We krijgen drinken, eten, drinken, eten, er wordt een film gedraaid. De kinderen huilen in wisseldienst. Ik doe mijn oordopjes in en probeer te slapen. Ben inderdaad een paar uur kwijt. Maar om nou te zeggen lekker geslapen? Nee. We landen op Schiphol. Bij de douane is er enig oponthoud omdat een allochtone dame voordringt. Ze mag Nederland niet in, krijgt een reprimande dat ze voordringt en wordt overgedragen aan een collega. De bagage laat even op zich wachten. Er is geen treinverkeer tussen Schiphol en Amsterdam CS. We stappen in de verkeerde trein. Foutje, het bord op het perron gaf het niet goed aan. Op station Lelylaan stappen we uit en nemen de trein die teruggaat naar Schiphol. We nemen de trein naar Sloterdijk, vandaar gaat het naar Alkmaar. Daar moeten we een half uur wachten. Geen zin in, we nemen wel een taxi.

Het is koud in huis. We pakken de koffer uit, ik begin meteen te wassen en dan gaan we eens lekker onder de douche. We stallen de vondsten, die de reis goed hebben overleefd, uit. Het is echt veel.


Oman naar de Oman pagina
#Verslag van een vakantie naar Oman naar het begin van het Oman verslag
omanbird to the English Bird report
default to our homepage

For any questions, comments, remarks please contact us: webmaster@rekel.nl